De moord op President Kennedy – deel 15: Was er geschoten vanuit het Schoolboekengebouw?

26 januari 2026 Uit Door Paul Th. Kok

Leestijd: 7 minuten

Leeswijzer: De illustraties geven met de onderschriften de kern van het verhaal weer

Op de trap voor het Schoolboekengebouw

Waar kwamen de schoten vandaan die president Kennedy raakten? Volgens het Warren Rapport zagen twee getuigen “… dat er met een geweer werd geschoten vanuit het raam op de 5e verdieping van het Schoolboekengebouw.” De mensen die op de stoep voor het gebouw stonden zeiden echter (op één na) dat de schoten niet uit het gebouw kwamen, maar uit de richting van het viaduct of de ‘grassy knoll’.

Afbeelding 1: Plattegrond Dealey Plaza. De getuigen die op de trappen van het School-boekengebouw stonden, zeiden vrijwel unaniem dat de schoten niet vanuit het gebouw waren gekomen. De streepjeslijn geeft de route van de auto van president Kennedy aan, inclusief de scherpe bocht van 60 graden van Houston Street naar Elm Street, waardoor de auto extra langzaam moest rijden. Dat maakte Kennedy tot een gemakkelijk doelwit.

De verklaringen van deze getuigen worden in het Warren Rapport nergens genoemd. Alle vijf bleven ze, zelfs 5 maanden na de gebeurtenissen van 22 november, vasthouden aan hun oorspronkelijke waarneming. Dat was bijzonder, vooral omdat toen de algemeen geaccepteerde verklaring luidde dat de schoten wel degelijk uit het gebouw afkomstig waren. Ook tijdens hun verhoren (in maart en april 1964) zeiden ze geen moment te hebben gedacht dat de schoten uit het Schoolboekengebouw waren gekomen. De Warren Commissie kende dus hun afwijkende mening. In Afbeelding 2 zijn hun verklaringen kort weergegeven.

Alleen mrs. Reid dacht dat de schoten uit het gebouw waren gekomen. Maar nadat zij door de anderen gerust was gesteld, liep ze het gebouw in, waar ze – je bedenkt het niet – de vermeende schutter, Lee Harvey Oswald, tegenkwam met een flesje cola in de hand. Stonden Truly, Campbell en hun werknemers op 22 november op de juiste plek om te kunnen beoordelen uit welke richting de schoten kwamen?

Afbeelding 2: Waar volgens de zes getuigen, die op de trappen van het Schoolboekengebouw stonden, de schoten vandaan kwamen.
Opm.: met ‘knoll’ en ‘stukje grasland’ werd de zgn. ‘grassy knoll’ bedoeld, een stukje met gras begroeid land waarlangs de weg naar beneden liep om vervolgens onder het viaduct door te gaan. Het ‘WPA-project’ is de witte betonnen pergola waarmee Dealey Plaza is omgeven. Het werd tijdens de crisisjaren ‘30 van de 20e eeuw aangelegd in het kader van de bestrijding van de werkloosheid. Zie ook Afb.1.

Het probleem bij het lokaliseren van een geweerschot is dat een geweer niet één, maar twee harde geluiden veroorzaakt: eerst het eigenlijke geweerschot en snel daarna een schokgolf(je). De kogel gaat namelijk door de geluidsbarrière en veroorzaakt daardoor een harde knal, die overigens iets minder luid is dan het eigenlijke geweerschot. De schokgolf maakt het lastig om na te gaan waar het schot vandaan kwam.

Nu hadden tientallen toeschouwers op Dealey Plaza de schoten op 22 november 1963 verschillend waargenomen. De ene helft dacht dat de schoten uit het Schoolboekengebouw afkomstig waren, de andere helft wees echter de “grassy knoll” of het achterliggende spoorwegemplacement aan als herkomst van de schoten. Om uit te zoeken waarom die waarnemingen zo verschilden, werd op 20 augustus 1978, in opdracht van een comité uit het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden (het House Select Committee on Assassinations, afgekort HSCA), een zgn. geluidsonderzoek verricht. Het verslag van dit geluidsonderzoek zegt o.m. het volgende:

“Hoe verder de waarnemer af staat van het eigenlijke geweerschot en dichter bij het traject van de kogel, des te waarschijnlijker is het dat de lokalisering van het geluid wordt gebaseerd op de schokgolf en dus onjuist is. (…) … iemand die zich dicht bij het Schoolboekengebouw bevindt, zal eerder dat gebouw als de bron van de schoten aanmerken dan welke andere plek dan ook.”

Bron: HSCA deel 8, p. 128-170.

De laatste zin is dus feitelijk onjuist: degenen die bij het Schoolboekengebouw stonden, vonden nu juist dat de schoten daar niet vandaan kwamen. Maar de leden van de onderzoekscommissie waren er gemakshalve van uit gegaan dat het Schoolboekengebouw nu juist de plek was waar de schoten wel vandaan waren gekomen. De personen die voor het gebouw stonden, konden zich dus baseren op het geluid van het geweer zelf in plaats van op dat van de schokgolf. Als zij dus het eigenlijke schieten niet hadden gehoord, dan kun je toch aannemen dat de schoten juist niet uit het Schoolboekengebouw kwamen? Het comité kende blijkbaar hun verklaringen niet. En we zagen al dat het Warren Rapport de verklaringen van de werknemers van het Schoolboekengebouw had genegeerd. Het Rapport stelde dat er vanuit het gebouw was geschoten en zij had twee ooggetuigen gevonden die dat konden bevestigen. Dat waren Howard Brennan en Amos Euins. Maar hadden zij werkelijk iemand zien schieten?

Getuige Howard Brennan

Brennan zat tegenover het Schoolboekengebouw, aan de andere kant van het stukje Elm Street dat vlak voor het gebouw langs liep naar een parkeerplaats. Op de plattegrond van Afbeelding 1 was dat de plek waar (van links gerekend) het 5e groene boompje staat. Dat was op een afstand van 30 meter van het gebouw. Op 22 november legde Brennan op het politiebureau een beëdigde verklaring af waarin hij zegt twee schoten te hebben gehoord. Nadat hij vuurwerk hoorde, keek hij naar het Schoolboekengebouw en zag daar een man  zitten. “Ik zag toen die man die ik heb beschreven [hij had hem al eerder in het raam zien staan] in het raam en hij was bezig te richten met dat geweer.” Op 24 maart luidde zijn verhaal wat anders. Eerst hoorde hij wat dacht dat de terugslag van een motorfiets was. Daarna dacht hij vuurwerk te horen waarvan hij dacht dat het uit het Schoolboekengebouw kwam

“…  en ik keek omhoog. En deze man, die ik eerder had gezien, was bezig te richten voor zijn laatste schot. Nou, het leek mij dat hij rechtop stond en steunde tegen het linker raamkozijn met het geweer tegen zijn rechter schouder toen hij zijn laatste schot loste. En ik kon bijna zijn hele lichaam zien, vanaf zijn heupen, maar toen hij schoot, waarschijnlijk vanaf zijn riem.”

Bron: Bijlagen Warren Rapport, deel 3, p. 144.

Eerder had Brennan gezegd dat hij ongeveer de helft van het geweer had gezien. Tijdens het verhoor op 24 maart 1964 vertelde hij evenwel dat hij 70 tot 85% van het geweer had waargenomen toen de man stond te schieten. Het Rapport plaatste daar verderop in het boek wel een kanttekening bij:

“Alhoewel Brennan verklaarde dat de man bij het raam stond toen hij schoot, is het waarschijnlijker dat hij zittend of knielend schoot.”

Bron: Warren Rapport, p. 142; cursiveringen toegevoegd.

De  woorden “waarschijnlijker” en “zittend” hadden echter weggelaten moeten worden. Als de man staande had geschoten, had hij – getuige Afbeelding 3 – door het raam heen moeten schieten. Het raam was slechts halfgeopend en daardoor was de enige mogelijkheid dat de man geknield geschoten met de vensterbank (die al op 30 cm hoogte begon) als steun voor het geweer.

Afbeelding 3: Foto genomen door Tom Dillard, enkele seconden na het laatste schot. Onder het raam van waaruit zou zijn geschoten zaten drie collega’s van Oswald, twee daarvan zijn zichtbaar op de foto die Dillard nam. Ze zaten geknield op de grond omdat de vensterbank gevaarlijk laag was: slechts 30 centimeter. Dillard nam de foto vrijwel meteen nadat zijn collega Robert Jackson had gezegd dat hij een geweer had gezien dat langzaam uit het raam werd teruggetrokken, dus enkele seconden na het laatste schot. Het geweer is overigens al verdwenen. Bron: Warren Rapport, p. 66.

Nu was het de hamvraag of Brennan de man ook werkelijk zag schieten. Om dat te weten te komen, stelde commissie lid John McCloy een concrete vraag:

McCloy: “Zag u dat er met het geweer werd geschoten? Zag u de terugslag of de flits?”

Brennan: “Nee, meneer.”

Bron: Bijlagen Warren Rapport, deel 3, p. 154.

En daar ging het natuurlijk om, alhoewel er bij daglicht geen flits te zou zijn. Brennan stond op een afstand van 93 feet (ca. 30 meter) van het gebouw. Stafmedewerker David Belin had dat op 20 maart 1964 exact opgemeten. Maar omdat de 5e verdieping 60 feet (ca. 20 meter) hoog lag, bedroeg volgens het Warren Rapport de afstand tussen Brennan en de man die hij zag (in raam A op Afb. 4) 120 feet (40 meter). Dat was een veel te grote afstand om te kunnen zien of de man inderdaad schoot, zoals Brennan’s antwoord ook al aangaf. Dus was het mogelijk dat de man met het geweer niet had geschoten.

Afbeelding 4: CE 477. Reconstructiefoto van Brennan zittend voor Schoolboekengebouw.  De fotograaf stond een paar meter achter Brennan, dus had Brennan een wat beter zicht op de man in het raam dan de foto weergeeft. Bron: Bijlagen Warren Rapport, deel 17, p. 197.

Er waren nog twee andere redenen om Brennan als onbetrouwbare getuige af te serveren. Later die dag (op 22 november) zou Brennan om 7 uur een line-up van Oswald hebben bijgewoond. Hij was er praktisch zeker van dat de man die hij in het raam had gezien inderdaad Oswald was. Stafmedewerker Belin vroeg hem uit hoeveel personen de line-up bestond. Brennan dacht dat er 6 tot 8 personen hadden gestaan. Voor een betrouwbare identificatie was dat inderdaad het juiste aantal. En of er ook iemand met een zwarte huidskleur in de line-up had gestaan. Dat wist Brennan niet meer. In werkelijkheid stonden er vier mannen in de line-up. En alle vier waren het witte mannen. Hoezo goede waarnemer? Waarschijnlijk wilde Belin nagaan of Brennan eigenlijk wel had deelgenomen aan de line-up,  omdat het rapport van de politie van Dallas zijn naam als getuige van de line-up niet vermeldde.

Verder wist Brennan ook niet meer aan wie hij zijn signalement van de man in het raam had doorgegeven. Volgens hem was dat Sorrels geweest, een agent van de Secret Service, de dienst die verantwoordelijk was voor de veiligheid van de president. Maar Sorrels was met de stoet meegereden naar het Parkland Hospital en pas rond één uur bij het Schoolboekengebouw aangekomen. Het signalement dat volgens het Warren Rapport van Brennan afkomstig was, werd echter al om kwart voor één door inspecteur Sawyer via de politieradio doorgegeven. Maar Sawyer wist niet meer van wie hij dat had gekregen. Nu was Brennan een vrij grote kerel met een bouwhelm op. Sawyer zou zich Brennan toch wel hebben herinnerd?

Er is logischerwijze in de literatuur over de moord op Kennedy veel te doen geweest over de vraag of Brennan inderdaad Oswald als schutter had kunnen herkennen. Daarbij is echter steeds vergeten dat ook in 1963 de ‘regel van 15’ gold: als men een onbekende voor het eerst ziet op een afstand groter dan 15 meter (of evt. 15 yards) dan is een eventuele latere herkenning (bijvoorbeeld in een line-up) onbetrouwbaar. Daardoor alleen al was de (al dan niet vermeende) deelname van Brennan aan de line-up van 22 november een discutabele zaak.   

Alleen al gezien de grote afstand had Brennan door de Warren Commissie als getuige moeten worden afgeschreven. Nu kwamen daar dus nog twee argumenten bij om dat te doen. Als hij zich de enige line-up die hij ooit had meegemaakt niet meer voor de geest kon halen, en evenmin wist aan wie hij het signalement had doorgegeven, hoeveel waarde kun je dan hechten aan zijn verhaal over de schietende man? Maar de Warren Commissie bleef geloof hechten aan haar stergetuige. Sterker nog, ze voerde een tweede even discutabele getuige ten tonele.

Getuige Amos Euins

De 15-jarige Amos Euins had na 11 uur vrij van school gekregen om de president te kunnen zien en was door zijn moeder naar Dealey Plaza gereden. Zijn moeder moest door naar haar werk en liet Amos daar achter. Amos stond op de hoek van Elm Street en Houston Street, ongeveer waar op de plattegrond van Afb. 1 het blokje met ‘JFK limo’ staat afgebeeld. Dat was op grote afstand van het Schoolboekengebouw, nog een stuk verder weg dan waar Brennan had gezeten.

Afbeelding 5: CE 366. Plek waar vandaan Amos de man met het ‘geweer’ zag. Te ver verwijderd om veel te kunnen onderscheiden. De stippellijn (door Amos aangebracht tijdens zijn verhoor) is de route die de motoragent (waar Amos bij achterop mocht) aflegde toen hij hem naar de tijdelijke commandopost voor het Schoolboekengebouw bracht om zijn verhaal te doen. Bron: Bijlagen Warren Rapport, deel 16, p. 962.

Bij Brennan had de Warren Commissie tot op de centimeter nauwkeurig uitgerekend hoe ver hij van het Schoolboekengebouw af stond. Maar in het geval van Amos vermeldt het Warren Rapport daar niets over. Die afstand zal minstens 50 meter zijn geweest. Vandaar dat Amos in het begin van het verhoor over een ‘buis’ sprak: hij kon – zie Afbeelding 5 – niet zeker weten of het werkelijk een geweer was geweest dat hij had gezien.

“Hij verklaarde dat hij de hand van een man zag op wat leek op de kolf van een geweer en dat hij wist dat het een geweer was omdat hij de schoten hoorde.”

Bron: Commission Documents #205, p. 10 (FBI verslag 29 november 1963), cursivering toegevoegd.

Gaandeweg zijn verhoor op 10 maart 1964 door de Warren Commissie begon men echter toch over een ‘geweer’ te spreken. Tijdens het verhoor stelde Arlen Specter, de stafmedewerker van de Commissie die het verhoor leidde, de volgende vragen:

Specter: “Toen je het tweede schot hoorde, toen je zoals je zei naar het geweer keek, dacht je toen dat het geluid uit het geweer kwam toen je het tweede schot hoorde toen je er naar keek?”

Amos: “Nee, meneer.”

Specter: “Waar dacht je dat het geluid van het tweede schot vandaan kwam?”

Amos: “Ik zag dat hij schoot bij het tweede schot.”

Specter: “Dus je dacht dat het geluid van het tweede schot uit het geweer kwam?”

Amos: “Ja, meneer.”

Bron: Bijlagen Warren Rapport, deel 2, p. 209.

De eerste vraag van Specter was natuurlijk verwarrend en te lang. Maar Specter had liever een bevestigend antwoord en stelde daarom z’n vraag opnieuw, dit keer duidelijker. Specter had dus in de gaten dat Amos mogelijk geluid en beeld had samengevoegd. Maar hij koos er voor daar verder geen duidelijkheid over te krijgen. Daardoor bleef het onduidelijk of Amos werkelijk een geweer had gezien en simpelweg aannam dat de schoten (die mogelijk ergens anders vandaan kwamen) van het geweer (of de buis) afkomstig waren. Het Warren Rapport kon daar niet moeilijk over doen.

De afgewezen getuige: James Worrell

De 20-jarige Worrell stond met de rug naar het Schoolboekengebouw, precies onder het raam (dat 20 meter hoger lag) van waaruit geschoten zou zijn. Het eerste schot dat hij hoorde, was volgens hem te luid om een voetzoeker te kunnen zijn, alhoewel hij dat wel in zijn eerste verklaring zo had omschreven.

Senator Cooper: “Je verklaarde, geloof ik, dat je omhoog keek nadat je het eerst schot had gehoord?”

Worrell: “Ja, meneer.”

Cooper: “Je keek omhoog en je zag de loop van een geweer en toen werd er met het geweer geschoten. Hoe wist je dat er met het geweer werd geschoten?”

Worrell: “Pardon?”

Cooper: “Hoe wist je dat er met het geweer werd geschoten toen je er naar keek?”

Worrell: “Nou, ik zag wat je een vlammetje zou kunnen noemen en rook.”

Bron: Bijlagen Warren Rapport, deel 2, p. 200 vlg.

In wezen stelde Cooper de zelfde vraag als Specter en McCloy aan Amos and Brennan hadden gesteld: weet je zeker dat er met dat geweer was geschoten? Het vlammetje en de rook zag Worrell volgens eigen zeggen ook een tweede keer bij een volgend schot. Dat was terwijl hij uit veiligheidsoverwegingen – na eerst te hebben gezien dat Kennedy in elkaar kromp – de hoek van het gebouw om rende.

Merkwaardig is dat Worrell in het Warren Rapport niet als ooggetuige wordt opgevoerd. Waarschijnlijk zal de Warren Commissie gemeend hebben dat hij in een paar seconden wel heel veel had gezien. Om het geweer te kunnen zien schieten, had bij recht omhoog moeten kijken, terwijl Kennedy links van hem op 30 meter afstand langs reed. Verder geloofde men waarschijnlijk niet dat hij in het felle zonlicht een vlammetje had kunnen zien. Wel jammer voor de medewerkers van de Warren Commissie: het zou de enige getuige zijn geweest die de man werkelijk had zien schieten.

Maar de scepsis van de Commissie was terecht, zo blijkt uit een brief van Edgar J. Hoover (directeur FBI) van 23 september 1964. De brief is een antwoord op de vraag van Rankin (de ambtelijk leider van de Warren Commissie) of je bij daglicht een vlammetje kon zien als een geweer werd afgeschoten. Nee, zegt Hoover, dat zou alleen in het donker mogelijk zijn. Overigens lag het Warren Rapport toen al bij de boekbinder en had men al veel eerder besloten Worrell niet als getuige op te voeren. Lang heeft Worrell zich niet kunnen afvragen waarom hij niet als getuige in het Warren Rapport werd genoemd: hij zou in 1966 bij een motorongeluk om het leven komen.

Het Warren Rapport brengt een noodverband aan

Het Warren Rapport probeerde aan de twijfels over de herkomst van de schoten een einde te maken door een opmerking, bijna aan het eind van haar boek:

“Er zijn getuigen die beweren dat de schoten uit de richting van het viaduct kwamen. De Commissie kent geen enkele getuige die zag dat er uit die richting werd geschoten.”

Bron: Warren Rapport, p. 640; cursivering toegevoegd.

Er waren evenwel maar weinig getuigen die zeiden dat de schoten van het viaduct kwamen kwamen. Dit was het treinviaduct dat ook wel werd aangeduid als ‘underpass’: de autosnelwegen liepen er namelijk onder door (zie Afb.1). Veel getuigen noemden (net als de personen in Afb.2) als herkomst van de schoten de ‘grassy knoll’ of het spoorwegemplacement. Door de nadruk te leggen op het ontbreken van ooggetuigen, hoefde de Commissie de vijf getuigen die op de trap van het Schoolboekengebouw stonden, niet te noemen. Zij hadden immers niemand zien schieten: ze waren oorgetuigen, geen ooggetuigen. De Commissie had echter – zoals we vaststelden – evenmin betrouwbare getuigen die de schutter vanuit het Schoolboekengebouw hadden zien schieten.

Conclusie

Er waren meer getuigen die na de drie schoten iets in het raam op de 5e verdieping hadden gezien dat op een geweer leek. Juist daarom werd de foto van Afb.3 door Tom Dillard genomen. Niemand had de man echter daadwerkelijk zien schieten. Ondanks de aanvankelijk kritische vragen van Specter en McCloy tijdens de verhoren van Amos en Brennan, luidde de conclusie van het Warren Rapport dat de beide getuigen de man in het raam op de 5e verdieping hadden zien schieten. Dat was één van de bewijzen waarop het Rapport de schuld van Oswald baseerde. John Armstrong en na hem Mike Davis merkten al op dat juist omdat de man met een geweer zo duidelijk door meerdere mensen werd gezien, die zichtbaarheid opzet kon zijn geweest. Namelijk om de indruk te vestigen dat de schoten inderdaad afkomstig waren van de 5e verdieping van het Schoolboekengebouw, waar later de hulzen en het geweer van Oswald zouden worden gevonden.

De Commissie trachtte niet uit te zoeken – zoals zij bij Worrell wel had gedaan – of beide getuigen inderdaad de man zagen schieten, of dat ze simpelweg hadden aangenomen dat hij schoot omdat ze geweerschoten hoorden. We kunnen dus Euins en Brennan als betrouwbare getuigen doorstrepen. Dan komt het beste bewijs dat er vanuit het Schoolboekengebouw was geschoten van drie collega’s van Oswald die vlak onder de plek zaten waar vandaan Oswald zou hebben geschoten. Zij zouden de schoten hebben gehoord. Hun verhalen vormen het onderwerp van deel 16 van deze serie.

Bronnen

Literatuur: Warren Report (Washington DC 1964) p.18, 63-65, 68 en 640; Mark Lane, Pleidooi voor de waarheid (Zwolle 1966), m.n. p.90-98; Sylvia Meagher, Accessories After the Fact. The Warren Commission, The Authorities & The Report (New York 1992, orig. 1967); John Armstrong, Harvey and Lee: How the CIA Framed Oswald (Arlington 2003); Donald Byron Thomas, Hear No Evil: Politics, Science & The Forensic Evidence in the Kennedy Assassination (New York 2010); Mike Davis, The JFK Assassination Evidence Handbook (z.pl. 2018).

Over de voorwaarden voor een betrouwbare line-up: Richard L. Jackson, Criminal Investigation: A Practical Textbook for Magistrates, Police Officers and Lawyers (London 1962), m.n. 18 en 161; L.E.C. van der Boor, Over getuigen, confrontaties en bewijs (Den Haag 1992); Gary L. Wells, Eric P. Seelau, Sheila M. Rydell, C.A. Elizabeth Luus, “Recommendations for properly conducted lineup identification tasks”, in: David Frank Ross, J. Don Read, Michael P. Toglia (red.) Adult Eyewitness Testimony: Current Trends and Developments (Cambridge 1994) 223-244; Marc Bockstaele en Lien Onghena, “De keuzeconfrontatie: enkele aandachtspunten”, Vigiles, Tijdschrift voor politierecht (2010/2) 61-78; P.J. van Koppen en W.A. Wagenaar, “Herkennen van gezichten”, in: P.J. van Koppen, H.L.G.J. Merckelbach, M. Jelicic en J.W. de Keijser (red.) Reizen met mijn rechter: Psychologie van het recht (Deventer 2010) 269-304; Margaret Bull Kovera, Andrew J. Evelo, The Case for Double-Blind Lineup Administration (2017), in: www.apa.org (geraadpleegd op 17 juni 2023).

Verhoren: James Worrell jr. (2H 190-201 – 10 maart 1964); Amos Euins (2H 201-210 – 10 maart 1964); Bull Frazier (2H 210-245 – 11 maart 1964); Howard Brennan (3H 140-161 – 24 maart 1964); Roy Truly (3H 212-242 – 24 maart 1964); Mrs. Reid (3H 270-281 – 25 maart 1964); Billy Lovelady (6H 336-341 – 7 april 1964); William Shelley (6H 327-334 – 7 april). De verhoren zijn ook door het intikken van de namen eenvoudig op het internet te raadplegen.

Brief Hoover (over vlammetje bij afschieten van een geweer) in: CE 3133 (26H 811).

Herkomst afbeelding 1:

McFadden, D. “Why Did the Earwitnesses to the John F. Kennedy Assassination Not Agree About the Location of the Gunman?” in: Front Psychol. 2021 Nov 16;12:763432. doi: 10.3389/fpsyg.2021.763432. PMID: 34867663; PMCID: PMC8637832; geraadpleegd op 24 december 2025.

Plan voor de volgende delen

  • deel 16: Raadsels rond gehoorde schoten
  • deel 17: Reconstructie door David Belin van de tijd die het Oswald gekost zou hebben om van de 5e verdieping de lunchroom op de eerste verdieping te bereiken.
  • deel 18: Reconstructie van de tijd die het Oswald in werkelijkheid gekost zou hebben om van de 5e verdieping de lunchroom op de eerste verdieping te bereiken.
  • deel 19: Vondst van de papieren zak (waarin het geweer door Oswald vervoerd zou zijn) op de 5e verdieping.
  • deel 20: Reconstructie van wat er op 22 november 1963 in werkelijkheid zal zijn gebeurd op de 5e verdieping van het Schoolboekengebouw in Dallas.
  • deel 21: Het ontbrekende uur: Oswald op het politiebureau te Dallas tussen 2 tot 3 uur op vrijdagmiddag 22 november.
  • deel 22: Ondervragingen van Oswald op 22, 23 en 24 november 1963.