Hoe rijke mensen nog rijker werden: een sprookje

Hoe rijke mensen nog rijker werden: een sprookje

7 juni 2020 Uit Door Paul Th. Kok

Leestijd: 4 minuten


Heel lang geleden was er een slaperig stadje dat op de rand van een veengebied was gebouwd. In dit stadje woonde de puissant rijke familie Sprinckhaen, bestaande uit de neven Bolleman en Groen. Iedereen keek met eerbied (en ook wel met een beetje jaloezie) naar hen op.


Turfwinning

Op een dag vroeg Bolleman (die onderhandelde namens investeerders uit het rijke deel van het land) aan het stadsbestuur of hij het veengebied mocht pachten. Bolleman zou als veenbaas de zaken regelen en werd daarvoor door zijn opdrachtgevers goed betaald. Het stadje zou ook wat van de opbrengst krijgen en omdat de muren van het stadje verstevigd moesten worden, de poorten vol met houtworm zaten en ook het stadhuis aan vervanging toe was, gaf het stadsbestuur graag zijn toestemming. Jaar in jaar uit stroomde het geld binnen bij het stadsbestuur. Dat Bolleman en zijn opdrachtgevers er nog veel meer aan verdienden, vond niemand erg. Iedereen was blij dat er werk was en zwervers en bedelaars kwam je, toen de turfwinning eenmaal op gang was gekomen, in het stadje bijna niet meer tegen.

Nadat het nieuwe stadhuis was gebouwd, de muren waren voltooid en de poorten waren vervangen, wist het stadsbestuur niet wat ze met de rest van het geld moest doen. Bolleman leverde ook nog (bijna) gratis de turf voor de open haard in het nieuwe stadhuis, dus zaten de regenten er warmpjes bij. Nu was Bolleman’s neef, meneer Groen, directeur van de Bank van Lening en hij bood aan om het geld van het stadje op te bergen totdat men nieuwe plannen had bedacht om het geld aan op te maken. Hij vroeg daar wel een vergoeding voor, maar dat vond het stadsbestuur geen punt: als het geld maar veilig was.


Sprinckhaen Groen

Veelal werd er kleding ingebracht bij de Bank van Lening, dat als onderpand diende voor een lening. De kosten voor de vele mottenballen vond Groen veel te hoog, dus maakte hij gebruik van oude mottenballen, die hij voor een zacht prijsje op de kop had weten te tikken. De motten trokken zich van die uitgewerkte mottenballen echter niets aan en deden zich tijdens een hete zomer te goed aan de kleding, waar niet veel van overbleef. Dat was overmacht, zo deelde Groen aan de mensen mee die hun kleding na wat weken weer op kwamen halen. Ze betaalden hun schuld terug aan Groen, plus natuurlijk aardig wat rente. Dat geld moesten ze van Groen wel betalen, dat stond in het contract. De kleding kregen ze terug, maar die was vanwege alle gaten onbruikbaar geworden.

Korte tijd later was Groen verdwenen. Wakker geschrokken gingen de stadsbestuurders snel naar de Bank van Lening. Het gebouw stond er nog, maar de kluis was leeg. Wat nu? Goede raad was duur en dat kon het stadje niet meer betalen. Toen men dacht dat de problemen niet erger konden worden, kwamen er opeens scheuren in de stadsmuren en in de huizen die tegen de muur waren aangebouwd. Hoe zou dat nu weer komen?


Sprinckhaen Bolleman

Een slim iemand kwam met wat men eerst een heel vergezocht idee vond. Zouden de scheuren niet veroorzaakt kunnen zijn door de turfwinning? Want Bolleman had immers tot aan de stadsmuren het veen af laten graven? Nee, daar kon het nooit van gekomen zijn, vond ook Bolleman. In het stadje stond echter ook de Hoge Toren waar men heel trots op was. Sommige inwoners waren bang dat daar ook scheuren in zouden komen. Na wat heen en weer gepraat stelde Bolleman voor – hij was tenslotte niet de beroerdste – om een paar van zijn eigen opzichters naar die scheuren te laten kijken en die gratis te laten opvullen met cement. Ook bood hij aan de turfwinning ietwat te verplaatsen. Het aanbod werd met oprechte dankbaarheid in ontvangst genomen. Voor de bewoners en voor de stadsbestuurders had hij wel wat slaappilletjes (daar zat toentertijd heuse opium in) en om de schrik weg te nemen wilde hij ook nog wel voor gratis aderlatingen zorgen. “Dat heeft je neef al gedaan” zei een van de stadsbestuurders toch wel wat wrevelig.


Slot

De pilletjes echter vonden gretig aftrek. Zo kon het stadje verder slapen. Alleen een winkelier in bezemstelen had een bordje in zijn uitstalkast gezet waarop hij had geschreven: Grote stelen en kleine stelen, maar grote het meest. Af en toe draaide hij het bordje om en dan stond er: Wilt u meer of minder sprinkhanen?

Afbeelding: Drachten, hoofdbrug, in 1874 – litho door P.A. Schipperus