Kan-niet-verstaan

Kan-niet-verstaan

5 juni 2020 Uit Door Paul Th. Kok

Leestijd: 4 minuten


Dit verhaal werd in 1811 geschreven door J.P. Hebel (1760-1826) en speelt aan het eind van de 18e eeuw toen Duitse ambachtslieden door de Nederlanden trokken op zoek naar werk. Ik kwam het voor het eerst tegen in een boek uit 1927 van B.W. Willemsen over armenzorg in Nederland: “Van menschenwee en van menschenbaat”. Op de Duitse Wikipedia is onder het lemma over Hebel het oorspronkelijke verhaal te vinden.

Een Duits ambachtsman kwam in Amsterdam aan. Hij sprak de taal van het land niet. Daar zag hij een kolossaal huis, zo groot als hij nog nooit op zijn trektocht had gezien. “Goede vriend”, zei hij tegen een voorbijganger, “van wie is dit grote gebouw?” De voorbijganger kende geen Duits, had haast en antwoordde wat kort: “Kan-niet-verstaan!” Tjonge, tjonge, dacht de Duitser, dat moet wel een schatrijk persoon zijn, die mijnheer “Kan-niet-verstaan”!

Peinzend ging hij verder en kwam eindelijk ook bij het IJ. Opnieuw grote verbazing! Onnoemelijk veel schepen lagen aan de kade. Zo veel dat hij niet wist waar hij moest kijken. Tot hij een groot schip zag dat pas uit Oost-Indië was gekomen. Men was het schip aan het lossen. De ene kist na de andere werd uit het ruim gehesen, daarna balen katoen en vaten met suiker, koffie, rijst en peper. De kade stond al snel vol. Onze Duitser was nieuwsgierig en wilde graag weten van wie al die handelswaar was. Hij stelde zijn vraag aan een mede-toeschouwer. “Kan niet verstaan” was ook dit keer het antwoord. “Ah, ha!” dacht onze Duitser, “geen wonder dat de man zo’n prachthuis bewonen kan.”

Zijn stemming was duidelijk minder opgewekt toen hij verder liep. Zoveel rijkdom en hij was maar een arme drommel! Kon hij het maar net zo goed krijgen als deze rijke man.



Toen hij een hoek omsloeg zag hij een rouwstoet. Het was een deftige stoet: vier met zware rouwgewaden uitgedoste paarden trokken een fraaie rouwkoets. Een lange en deftige stoet vrienden en bekenden volgde de koets en in de verte luidde eenzaam een klokje. De aanblik van de rouwstoet riep als het ware aan een ieder het memento mori toe, ook aan de vreemdeling. Weemoedig bleef hij staan, ontblootte het hoofd en liet de stoet voorbijgaan. Helemaal aan het einde van de stoet liep iemand die net aan het uitrekenen was hoeveel hij zou verdienen als de prijs van de katoen 10 gulden per baal zou zijn. Onze ambachtsman vroeg aan hem: “Dat moet wel een goede vriend van u zijn als u zo bedroefd en peinzend kijkt. Hoe heet uw vriend?” “Kannietverstaan” was het antwoord.

Toen liepen bij onze handwerksgezel de tranen spontaan over zijn wangen. “Arme Kan-niet-verstaan” riep hij uit. “Wat heb je nu van al je rijkdom over. Hetzelfde wat ik van mijn armoede zal overhouden: een doodskleed.” Met deze gedachte volgde hij de stoet, net alsof hij er bij hoorde, tot aan het graf en zag hoe men de doodskist van de vermeende “Kan-niet-verstaan” in diens laatste rustplaats liet zakken.

Hij werd door de Hollandse lijkrede diep ontroerd, ook al verstond hij er geen woord van. In Duitsland had hij weliswaar veel van zulke toespraken gehoord, maar er nooit goed naar geluisterd. Eindelijk ging hij met een opgelucht hart weer de stad in en verorberde in een herberg, waar men gelukkig wel Duits verstond, met smaak een stuk Limburgse kaas.

Dan volgt de moraal van het verhaal: “Kreeg hij het weer eens moeilijk bij de gedachte, dat zoveel mensen rijk waren en hij zo arm, dan stelde hij zich meneer “Kan-niet-verstaan” voor en dacht hij aan diens grote woning, aan diens kolossaal schip en aan diens krappe laatste rustplaats.” Hebel begon zijn verhaal met de moraal: je moest volgens hem tevreden zijn met je lot. Om vervolgens de omweg te laten zien die onze ambachtsman had moeten maken om de waarheid daarvan in te zien.

Willemsen, die het verhaal in Nederland introduceerde, was armbezoeker en kon dit verhaal goed gebruiken. Willemse moest niets hebben van het socialistische gedachtengoed en vond dat men veel te vaak de omstandigheden de schuld van de armoede gaf. Die omstandigheden speelden volgens hem weliswaar een belangrijke, maar geen beslissende rol in het leven, bij armen noch bij rijken. Als je maar open stond voor het goede. Op die manier werd het memento mori gebruikt om de bestaande, kapitalistische orde goed te praten.