Blijde begrafenissen?

5 juni 2020 Uit Door Paul Th. Kok

Leestijd: 7 minuten


Is Maria ooit gelukkig geweest?

Maria Meinertzhagen werd in 1712 in Keulen geboren, verhuisde naar de Nederlanden en trouwde daar in 1735. In de 13 jaar daarna brengt zij maar liefst elf kinderen ter wereld, waarvan er in diezelfde 13 jaar zes overleden en één dood werd geboren. Elk jaar een geboorte, elke twee jaar een sterfgeval. Die sterfgevallen kwamen soms kort na elkaar: twee van haar zoontjes overleden in oktober en december 1743. Meestal was Maria zwanger van de volgende baby als een van de vorige overleed. De zes kinderen die overleden waren nog geen twee jaar oud. Dertig jaar later begon de sterftecyclus in de volgende generatie opnieuw toen in december 1778 en januari 1779 twee van haar kleinkinderen overleden.  We hebben het dan nog niet over de angst en spanning toen sommige van Maria’s kinderen de pokken kregen (of toen een dochtertje van de trap viel) en dat wonder boven wonder overleefden. Ook de vele familieleden en vrienden van Maria die in die zelfde periode van 13 jaar als twintigers overleden, hebben we buiten beschouwing gelaten.


Eigen Haard 1883, p. 586 vlg. Oorspronkelijk onderschrift: “Voor allen die ogenblikken als de hier geschetste doorleefd hebben, spreekt de plaat duidelijk genoeg. In hutten en paleizen kloppen de harten van ouders en grootouders immers gelijk!”

Is Maria ooit gelukkig geweest? Natuurlijk, vlak na de geboorte van haar eerste kind, maar daarna? Maria’s lotgevallen vormden in die tijd geen uitzondering. Zowel armen als rijken (waartoe Maria behoorde) moesten soortgelijke beproevingen doorstaan.

         

Hoe hielden de mensen het vol om te leven in dat harde demografische regime? Een mogelijk antwoord ligt in de rol van het geloof. Men geloofde in de 17e, 18e en begin 19e eeuw nog vrij algemeen in een hiernamaals. Strikt logisch geredeneerd zou een overlijden dan juist een bevrijding zijn, misschien zelfs een feest: het kind (of vader, moeder, broer of zus) was in de hemel, bij God, de beste plek die je zou kunnen wensen. Hield men het leven op die manier vol? Dat zou dan moeten blijken uit de bewaard gebleven dagboeken, brieven en memoires die de weerslag vormen van het dagelijks leven van die tijd.


De dood als feest

Blijdschap, omdat het overlijden het einde van de ellende en het begin van de hemelse zaligheid betekende, komen we het duidelijkst tegen in een verhaal van Jan Backer uit 1797. In een verslag van zijn voettocht door Nederland vertelt hij over het overlijden van de vader van een goede studievriend van hem in Leiden, waar hij vaak over de vloer kwam. Het hele gezin was diep bedroefd, maar zijn vriend liet geen traan. Integendeel, hij was vrolijk en probeerde zijn broers en zusters op te beuren. “Het smarte mij”, zei hij, “dat ik den goeden ouden man zo zag worstelen en lijden, ik had voor hem willen lijden. Maar nu, nu is hij immers zalig, en wij behooren ons te verheugen dat hij verlost is van alle die ellenden, welke ons op deeze aarde bedreigen en aanvallen, want zonder zulks beleven wij onzen eigenen Godsdienst niet.”


Een taart als sarcofaag

Het tweede voorbeeld is afkomstig uit de memoires van Keetje Hooijer, wier vader en echtgenoot beiden predikant waren. Zij vertelt daarin over de Rotterdamse koopman Ledeboer (1764-1848). Rond 1830 overleed een van zijn volwassen zoons, nadat hij al meer van zijn kinderen had zien sterven. Daar toonde hij maar weinig verdriet over. Keetje: “De dood van deze zoon verdroeg hij met dezelfde kalmte en wijsgerige berusting als die van verschillende andere zijner kinderen, welke hij volwassen verloor.” Het ‘heengaan’ van zijn kinderen zag hij juist als vooruitgaan. Volgens Keetje vonden veel mensen hem ongevoelig omdat hij zijn levenslust en opgewektheid onder al die verliezen had behouden. De dood werd door hem beschouwd als de enig mogelijke en natuurlijke overgang naar een ander veel beter bestaan. Keetje: “Deze beschouwingen waren hem niet, zoals bij zo velen, klanken en holle frasen maar volle waarheid en steunden hem bij verliezen tot hij de schijn van hardvochtigheid had.”

Toen hij in 1837 50 jaar getrouwd was, bestelde Ledeboer bij de banketbakker een taart in de vorm van een sarcofaag met daarop de namen van zijn overleden zoons. Want op het feest moesten zij volgens hem worden herdacht. De banketbakker zag dit eerst niet zitten, maar Ledeboer stond er op dat de taart werd geleverd. Een familielid die er van hoorde, probeerde nog de banketbakker over te halen de taart zo te verknoeien dat men niet kon zien wat het voorstelde, maar dat was diens eer te na. De taart kwam, maar werd door de aanwezigen weggemoffeld naar een hoek van de gelukkig heel grote tafel.


tekening door Arjan Baauw, juni 2020

“Troost ons niet.”

De ongewoon sterke nadruk op de troost van het geloof, komen we ook tegen bij Zschokke. Hij was een Zwitsers bestuurder en schrijver van een Bijbels dagboek. In het midden van de 19e eeuw keek hij terug op zijn leven, waarin hij zijn portie verdriet wel had gehad: van zijn twaalf kinderen waren er al vier overleden. Veel verdriet dus, maar aan de andere kant de wetenschap dat de kinderen in de hemel waren. Zschokke: “De dood is iets feestelijks, groots, gelijk al wat van God af tot ons komt. De dood mijner kinderen heiligt mij; trekt mij steeds meer van het goochelspel van het aardsche af, naar het goddelijke toe, reinigt mijne aandoeningen en gedachten.”

Op die manier werd je volgens Zschokke herinnerd aan waar het in het leven werkelijk om zou moeten gaan. Zschokke: “Troost ons niet. Wij weenen, omdat wij kinderen des stofs zijn; maar naar den geest zijn wij gerust en vrolijk, omdat wij weten, wien wij en de onzen toebehoren.” Zschokke schreef dit aan het einde van zijn leven. We mogen aannemen dat hij dit zo kon schrijven omdat het verdriet door de tijd toch wat was verzacht. Trouwens, aangezien er ook sprake was van ‘wenen’, zullen de begrafenissen van zijn kinderen destijds echt geen feesten zijn geweest.


Tranen tot slot

Het is de afgelopen eeuwen dus maar weinigen gelukt om de dood van dierbaren, ook al was die dood door het geloof overwonnen, in vrolijkheid te beleven. We zagen immers dat zowel Ledeboer als de vriend van Jan Backer in dit opzicht uitzonderingen waren binnen de kring van nabestaanden. De taart werd immers weggemoffeld en Jan Backer’s vriend liep als enige van het huisgezin vrolijk rond. De troost van het geloof – als die ooit werd ervaren – kwam pas na het verdriet, niet in plaats daarvan.

Als bewijs daarvan het slot van ons verhaal, dat we zijn begonnen met een zoon die opgewekt was na de dood van zijn vader. We eindigen in mineur, met een zoon die heel verdrietig was na de dood van zijn moeder. Op de ochtend van 19 oktober 1717 overleed de vrouw van een dagboekschrijver uit Boston, Samuel Sewall, na een huwelijk van 41 jaar. ’s Middags ging hij gewoonte getrouw naar de kerk. Zijn zoon zou als predikant de dienst leiden. Sewall had een briefje geschreven waarin aan de kerkleden het overlijden van zijn vrouw werd gemeld. Zijn zoon moest dus die bekendmaking voorlezen. Sewall: “Het kostte mijn zoon veel moeite het briefje dat ik had geschreven voor te lezen, omdat hij door tranen was overmand.”


Literatuur:

J.A. Backer, De jonge reiziger door Nederland, deel 2 (Amsterdam 1797); H. Zschokke, Mijn leven, denken en werken. (1854; orig. 1848); The Diary of Samuel Sewall (2 vols. 1973); Keetje Hooier-Bruins, Domineesdochter in ’s Graveland (1981, orig. 1884); J.H. Scheffer, “Het dagboek van een merkwaardige vrouw”, Algemeen Nederlandsch Familieblad 1 (1883/1884).