De moord op president Kennedy – deel 8: Vervalste foto’s en de lotgevallen van drie geweerhulzen

27 november 2024 Uit Door Paul Th. Kok

Leestijd: 15 minuten

Leeswijzer: De illustraties geven samen met de onderschriften de essentie van dit verhaal

Ontdekking van het schuttersnest

Het was niet duidelijk waar de schoten vandaan kwamen die op 22 november 1963 president Kennedy dodelijk troffen. Veel agenten renden eerst naar een met gras begroeid heuveltje, waar Kennedy’s auto langs reed toen er om half één werd geschoten. Maar al snel daarna gingen veel van hen naar het nabijgelegen Schoolboekengebouw. Aanvankelijk was ook agent Luke Mooney naar het heuveltje gerend, maar kreeg al snel opdracht om naar het Schoolboekengebouw te gaan. Daar vond hij, in de zuidoosthoek van de 5e verdieping, drie hulzen van geweerkogels. Ze lagen op de grond voor het raam, verstopt achter stapels dozen: in het ‘schuttersnest’ (Afb.1). Mooney bleef bij de hulzen tot hoofdinspecteur (Captain) Fritz (hoofd van de moordafdeling) arriveerde. Fritz gaf aan twee andere agenten, Montgomery en Johnson, opdracht de plek te bewaken tot inspecteur Day van de onderzoeksdienst ter plekke zou zijn.

Afbeelding 1: CE (Commission Exhibit – Commissie Bewijsstuk) 716 (17H p. 500): Het schuttersnest. Eén van de drie foto’s die Day en Studebaker daarvan maakten. De drie hulzen liggen op de vloer.   

Captain Fritz pakt de hulzen op

Toen de Warren Commissie (die de moord op president Kennedy onderzocht) hem over de vondst van het schuttersnest verhoorde, zei Mooney dat Captain Will Fritz “… de eerste was die ze oppakte voor zover ik weet, omdat ik daar stond en zag dat hij er naar toe ging en ze oppakte en ze bekeek.” David Belin, die als stafmedewerker namens de Commissie de ondervraging leidde, reageerde daar niet op. Enkele minuten later herhaalde Mooney dit: “Nadat Captain Fritz en zijn agenten daar kwamen, pakte Captain Fritz de hulzen op en begon ze te onderzoeken, ik verliet natuurlijk die plek.” Opnieuw bleef een reactie van Belin uit, terwijl het oppakken van de hulzen een doodzonde was: er waren immers nog geen foto’s gemaakt. Het uitblijven van Belin’s reactie lijkt aan te tonen dat hij al wist van de blunder van Fritz, maar het onbesproken wilde laten. Het werd nog gekker toen senator Cooper – die namens de Warren Commissie bij het verhoor aanwezig was – nota bene aan Mooney vroeg of hij de hulzen had opgepakt. Nee, zei Mooney. Een maand na Mooney werd Captain Fritz door de Commissie verhoord. Geheel in lijn met Belin’s negeren van Mooney’s opmerkingen, kwam het oppakken van de hulzen in dat verhoor niet aan de orde.

Cameraman Tom Alyea was op 22 november al vanaf kwart voor één in het Schoolboekengebouw aanwezig en had zelfs aan de zoektocht deelgenomen. Ook volgens hem had Fritz de hulzen meteen opgepakt. Maar Alyea werd niet door de Commissie ondervraagd en pas jaren later kwam hij met die mededeling.  

“…  en zag drie hulzen op de grond liggen. (…) Geen van de hulzen lag tegen de muur aan. (…) Ik hield de camera boven de barricade van dozen en filmde de hulzen voor iemand het schuttersnest in was gegaan. (…) Fritz liep toen naar de hulzen, pakte ze op en hield ze in zijn hand boven de stapels dozen zodat ik er een close-up van kon maken. (…) Ik herinner me niet of hij ze in zijn zak deed of ze op de vloer teruglegde.”

Bron: Connie Kritzberg, Secrets from the Sixth Floor Window, p 39-46 zie ook: https://www.jfk-online.com/alyea.html (geraadpleegd op 23 september 2023).

Drie hulzen in een envelop

Carl Day kwam samen met zijn assistent Robert Studebaker (sinds zes weken in opleiding bij de afdeling recherche) om 12 minuten over een bij het Schoolboekengebouw aan en werd verwezen naar de 5e verdieping. Daar trof hij in de zuidoosthoek agenten Montgomery en Johnson, die de hulzen bewaakten.

Afbeelding 2: CE 715 (17H, p. 499). De tweede van de drie foto’s door Day en Studebaker van het schuttersnest hadden genomen. Goede ogen zien twee hulzen tegen de buitenmuur onder het raam liggen. De  derde huls lag vlak tegen de doos op de voorgrond bij het raam, en is dus op deze foto niet zichtbaar. Let op de witte bestelwagen die nog net in het raam is te zien. 

Day en Studebaker zeiden dat ze drie foto’s van de hulzen hadden genomen. Terwijl ze nog maar net bezig waren, kwam agent Sims hen ophalen: er moesten foto’s van het zojuist (eveneens op de 5e verdieping) gevonden geweer worden gemaakt. Sims hielp Day eerst nog even door de hulzen op te pakken. De voorgeschreven methode daarbij was om – als de hulzen nog op de grond lagen – de plekken met krijt te omcirkelen, elke huls van een nummer te voorzien en daar foto’s van te maken. Zo kon ook later nagegaan worden waar elke huls had gelegen. Daarna moesten de hulzen in aparte, genummerde zakjes worden gestopt. Maar Day deed het anders. Hij liet Sims de hulzen oppakken en onderzocht ze op vingerafdrukken. De hulzen werden niet genummerd toen ze nog op de grond lagen en er werden geen krijtcirkels getrokken. Ze werden evenmin apart verpakt, maar samen in een envelop gestopt. En de envelop werd niet dichtgeplakt.

Getuigen van het nemen van de foto’s?

De Warren Commissie vond het van belang om vast te stellen wanneer de foto’s van de hulzen waren gemaakt. Volgens Day’s rapportje uit januari 1964 was er wat dat betreft geen vuiltje aan de lucht: de foto’s werden meteen na zijn aankomst genomen.

Afbeelding 3: Deel van het verslagje van Carl Day, d.d. 8 januari 1964. Dit is alles wat Day over zijn onderzoek van het schuttersnest op papier had gezet. In het officiële, lijvige rapport van de politie van Dallas komt geen bijdrage van hem voor. Bron: Bijlagen Warren Rapport, deel 26, p. 830. (CE 3145).

Toch nam de Commissie daar geen genoegen mee. Op 6 april werden door Ball en Belin (stafmedewerkers van de Commissie) vier agenten hierover ondervraagd, als eerste  Richard Sims. Aanvankelijk zei Sims dat hij Day en Studebaker foto’s had zien nemen, maar later in het verhoor bleek dat het wat ingewikkelder lag. Fritz had twee agenten bij de hulzen achtergelaten en was met Sims en Boyd elders op de 5e verdieping aan het werk gegaan. Nadat het geweer was gevonden ging Sims naar Day om hem te vragen daarvan foto’s te nemen. Joe Ball vroeg Sims of hij toen had gezien dat Day aan het fotograferen was.

Sims: “Nee, meneer; hij was foto’s aan het maken gedurende die tijd.”

Bron: Warren Rapport, bijlagen deel 7, p. 162, verhoor op 6 april 1964.

Ball vroeg niet om verduidelijking. Waarschijnlijk bedoelde Sims dat hij veronderstelde dat de foto’s al waren genomen voor hij bij hen kwam. Na Sims was het de beurt aan agent Elmer Boyd:

Ball: “Welnu, zag u dat er foto’s werden genomen van de hulzen?”

Boyd: “Wel, laat me eens kijken, ik geloof dat detective Studebaker and inspecteur Day, daar kwamen en ze waren foto’s aan het nemen op de plek van de hulzen.”

Bron: Bijlagen Warren Rapport, deel 7, p. 122: verhoor op 6 april 1964.

Dat klonk wat onzeker en dat was niet zonder reden. Boyd en Sims bleven (de hele dag trouwens) steeds dicht bij Fritz in de buurt. Fritz en Sims hadden niet gewacht op Day en hadden hem dus niet aan het werk gezien. Hoe kon Boyd dat dan wel hebben gezien? Opnieuw vroeg Ball hier niet op door.

Als derde werd Marvin Johnson, één van de twee agenten die tot half drie bij het schuttersnest had gestaan, hierover ondervraagd. Maar vergeleken bij de manier waarop Sims en Fritz werden verhoord, droeg Johnson’s ondervraging door David Belin een sterk impressionistisch karakter.

Belin: “Was u aanwezig toen Lt. Day en Studebaker er bij kwamen om foto’s te nemen?”

Johnson: “Ja, meneer.”          

Bron: Bijlagen Warren Rapport, deel 7, p. 103; verhoor op 6 april 1964.

De vraag had moeten luiden of hij het daadwerkelijk nemen van de foto’s had gezien. Dat was in Johnson’s geval des te belangrijker, omdat hij had  gezegd dat de hulzen dichter bij elkaar hadden gelegen dan op de foto. Hadden Day en Studebaker de hulzen verplaatst? Maar Belin stelde geen aanvullende vragen.

Bij Johnson’s collega Montgomery verliep de ondervraging anders. Hij begon zelf over het nemen van de foto’s, nadat Ball hem had gevraagd of hij een papieren zak (waarin Oswald het geweer zou hebben meegenomen), die in het schuttersnest zou hebben gelegen, aan iemand had gegeven:

“Ja, eens kijken – Lt. Day and detective Studebaker kwamen en namen foto’s en zo en toen pakten we een Dr. Pepper flesje op en ook de zak die we hadden gevonden, waarvan het leek alsof het geweer er in had gezeten.”

Bron: Bijlagen Warren Rapport, deel 7, p. 97; verhoor op 6 april 1964.

Maar juist omdat men vergeten was om een foto van de papieren zak te nemen toen die nog op de grond lag, was het de moeite waard geweest om door te vragen over hoe het fotograferen in z’n werk was gegaan. Ook nu vroeg Ball hier niet op door. Tot slot werd als laatste op 22 april hoofdinspecteur Fritz hierover ondervraagd:

Ball: “Weet u of hij [Day] foto’s nam of niet?”

Fritz: “Ik denk dat hij dat deed, maar ik weet het niet omdat ik niet bleef om te zien of hij dat kon doen.”

Ball: “U weet niet of hij de foto’s nam?”          

Fritz: “Ik ging door met zoeken in het gebouw. Ik zei tegen hen [Montgomery en Johnson] om het bewijs veilig te stellen en ging meteen door.”Bron: Bijlagen Warren Rapport, deel 4, p. 205: verhoor op 22 april 1964.

Een raar vraag- en antwoordspel: Ball had de foto’s toch? En Fritz had ze natuurlijk zelf ook herhaalde malen onder ogen gehad. Waarom daar zo moeilijk over doen? Vermoedde de Commissie dan toch dat de foto’s niet meteen om half twee waren genomen? Duidelijk is  dat de Commissie geen getuigen kon vinden die er absoluut zeker van waren dat de foto’s rond half twee waren genomen.

Studebaker breekt het schuttersnest af

Meteen nadat hij samen met Studebaker het geweer had gefotografeerd, bracht Day het naar het politiebureau. Daardoor was hij van twee tot drie uur afwezig. Na Day’s vertrek ging Studebaker op zoek naar vingerafdrukken op de dozen van het schuttersnest. Daartoe moest hij de dozen van hun plek halen. Om de dozen na behandeling weer op de juiste plek terug te kunnen zetten, had Studebaker eerst een plattegrond moeten maken, compleet met foto’s en een beschrijving waar en hoe de dozen precies stonden. Maar onervaren als hij was en blijkbaar niet door Day hierover geïnstrueerd, liet hij dat na. De foto’s van de hulzen gaven die informatie niet.

Afbeelding 4: Studebaker aan het werk. Er staat nu een stevige stapel op de vensterbank. Ook in het raam links staat nu een doos die er eerder niet had gestaan.  
Afbeelding 5: Studebaker nog steeds aan het werk. Er staan nu al twee rijen dozen op de grond of op de vensterbank.  

Studebaker’s werkzaamheden werden, zonder dat hij dat wist, door fotograaf William Allen van de Dallas Times Herald op de gevoelige plaat vastgelegd. Getuige afb. 4 zette Studebaker een rij dozen van het schuttersnest op de grond voor het raam. Eén doos werd zelfs in de vensterbank van het raam daarnaast geplaatst. Op een volgende foto (Afb.5) staan er al twee rijen dozen. Daarmee was het schuttersnest ontmanteld. Tom Alyea, die al die tijd in het gebouw aanwezig was, gaf jaren later de begeleidende tekst bij Allen’s foto’s:

“Detective Studebaker was in zijn eentje op deze plek nadat inspecteur Day met het geweer het gebouw had verlaten. Wij van het zoekteam gingen naar het schuttersnest. De barricade was geheel ontmanteld en de dozen aan de westzijde van de barricade waren verplaatst en op daar op diverse plekken neergezet. We realiseerden ons toen niet dat Studebaker geen foto’s had gemaakt van de oorspronkelijke plaatsing van de dozen in de barricade. Hij had ook de dozen die als steun bij het schieten op de vensterbank hadden gestaan, verplaatst en ze boven op elkaar op de vloer gezet.”

Bron: https://www.jfk-online.com/alyea.html (geraadpleegd op 23 september 2023); cursivering van mij. Zie ook: Connie Kritzberg, Secrets from the Sixth Floor Window (1994), p. 40-46.

Volgens Alyea waren dus niet alleen de dozen van het schuttersnest van hun plaats gehaald, maar ook dozen die daarnaast hadden gestaan. De amateuristische benadering van de politie van Dallas bleek niet alleen uit de werkwijze van Studebaker, maar ook uit het feit dat men een burger (Alyea) toestond om deel te nemen aan de zoektocht in het gebouw.

Een merkwaardige vergissing: drie foto’s van Houston Street

Nadat hij was teruggekeerd in het Schoolboekengebouw, maakte Day tussen 3 uur en kwart over drie binnen enkele minuten een drietal foto’s vanuit het raam op de 5e verdieping dat uitzag op Houston Street. Op de website The Portal to Texas History zijn ook de twee andere, deels identieke, foto’s te vinden die vanuit het zelfde raam werden genomen. Vergelijking van deze foto’s laat zien dat ze niet snel achter elkaar door Day waren genomen: de dame links op CE 722 (Afb.6), die achter de slordig geparkeerde auto langs loopt, is op de beide andere foto’s niet (meer) aanwezig. Het nemen van deze foto’s gebeurde dus niet in een opwelling.

Afbeelding 6: CE 722 (17H p. 504) – Gezicht op Houston Street. Eén van de drie foto’s die Day vanuit de 5e verdieping nam tussen 3 uur en kwart over drie. Hij dacht toen nog dat er vanuit dit raam op president Kennedy was geschoten. Op de foto is trouwens op de voorgrond de scherpe bocht van 60 graden (of 120 graden, afhankelijk van welke hoek je meet) te zien die de auto van Kennedy, komend van Houston Street, moest nemen om naar Elm Street te rijden. Door deze scherpe bocht moest de auto langzaam rijden.

Belin ondervroeg Day over CE 722, één van de drie foto’s die Day van Houston Street nam.

Belin: “Weet u wanneer deze werd genomen?”

Day: “Ergens rond 3 uur of kwart over drie, op 22 november.”

(…)

Belin: “Toen 722 werd gemaakt, u —“

Day: “Ik wist niet van welke plek er was geschoten.”

Belin: “Goed. Ik geef u nu wat ik al heb genummerd als 724. Wat weet u daar van?”

Day: “Die was genomen, 724 werd gemaakt, ongeveer 15 tot 20 minuten na 722, toen ik informatie ontving dat het schieten in werkelijkheid plaats vond op Elm Street en niet Houston Street. De dozen waren toen al verplaatst.”

Bron: Bijlagen Warren Rapport, deel 4, p. 264 vlg.; verhoor op 22 april 1964.

Afbeelding 7: CE 724 (17H, p. 505). Foto door Day genomen rond half vier op 22 november, nadat hij had gehoord dat er vanuit dit raam (uitkijkend op Elm Street) was geschoten en niet vanuit het raam dat uitzag op Houston Street.
Afbeelding 8: Foto van het Schoolboekengebouw, genomen door William Allen. CE 722 was genomen vanuit het raam rechts om de hoek van het raam waar Studebaker bezig was met de ontmanteling van het schuttersnest. Bron: zie illustratie 5.

De beide ramen van waaruit Day de foto’s had genomen, lagen vlak bij elkaar in het schuttersnest, zoals illustratie 8 duidelijk maakt. We moeten bedenken dat Day om twee uur met het geweer naar het politiebureau was gegaan om het daar veilig op te bergen. Toen hij om drie uur in het Schoolboekengebouw terug kwam, was het schuttersnest door Studebaker afgebroken. Zoals vaker tijdens de verhoren die Belin en Ball afnamen, werd er ook nu niet op doorgevraagd, terwijl er vragen te over waren. Van wie had hij de informatie gekregen dat hij bij het verkeerde raam aan het fotograferen was? Day moet, toen hij rond half twee de foto’s van de hulzen had genomen, toch wel in de gaten hebben gehad dat dit het raam was waar de schutter had gezeten? Hij had zelfs de hulzen al opgeraapt en op vingerafdrukken gecontroleerd. Hoe kan het dan dat hij nog geen twee uur later niet meer wist vanuit welk raam er was geschoten?

Gluren door de ramen

Er is meer in het bewijsmateriaal van de Commissie dat de wenkbrauwen doet fronsen. Houston Street werd namelijk, ook al zal Day het niet hebben beseft, al eerder door hem gefotografeerd. Hij had immers volgens eigen zeggen om half twee die middag CE 715 (Afb.2) genomen. Deze foto gunt ons door het raam ook een kijkje op Houston Street, net als CE 722, één van de drie foto’s die Day bijna twee uur later had gemaakt.

Afbeelding 9: uitsnede van CE 715 – foto volgens Day genomen om 1.22
Afbeelding 10: uitsnede van CE 722 – genomen om plm. 3.10
Afbeelding 11: Uitsnede van een tweede door Day om plm. 3.10 genomen foto met uitzicht op Houston Street.

Om het beter te kunnen bekijken hebben we een uitsnede van CE 715 gemaakt (Afb.9) en een uitsnede van CE 722 (Afb.10). Er zou dus bijna twee uur tijdsverschil moeten zitten tussen beide foto’s en toch tonen ze de zelfde configuratie van auto’s. De witte bestelwagen valt meteen op: die staat op beide foto’s op dezelfde plek, net als de auto daarvoor (een brandweerauto?) en de auto’s daarnaast. Zelfs de auto die iets voor half twee, een eind verderop, slordig op de stoep is geparkeerd, staat daar bijna twee uur later nog steeds. Maar veel hoeft dit niet te betekenen. Er zijn immers ook verschillen: op CE 715 staat een grote groep mensen, terwijl die op de foto’s van Day (zie Afb.11) ontbreken. Maar als CE 715 niet, zoals Day stelde, om half twee, maar om half vier (dus bijna een half uur na de foto’s van Houston Street) was genomen, zouden dit de journalisten en fotografen kunnen zijn, die stonden te wachten tot ze (om vier uur) het Schoolboekengebouw binnen mochten gaan. Technisch onderzoek naar de schaduwen zou uitsluitsel kunnen geven over het tijdstip waarop de beide foto’s werden genomen.

Tijdsdruk

Day en Studebaker moesten onder tijdsdruk werken. Dat wordt duidelijk als we de tijdlijn wat beter bekijken. Om 12 minuten over één kwamen ze bij het Schoolboekengebouw aan. Net daarvoor had inspecteur Sawyer, die voor het gebouw getuigen ondervroeg, de vondst van de hulzen via de politieradio doorgegeven:

“1.11 p.m. –  9 – On the 3rd floor of this book company down here, we found empty rifle hulls and it looked like the man had been here for some time. We are checking it out.”

Bron: Transcriptie van radiokanaal 2 (CE 705) in: Bijlagen Warren Rapport, deel 17, p. 467. Opm.: in de Verenigde Staten wordt de begane grond als “first floor” aangeduid; de “3rd floor” is dan de 2e verdieping.

Vervolgens moesten Day en Studebeker met twee koffers naar de liften achter in het gebouw lopen. Daar hadden ze wat oponthoud omdat de liften niet werkten, zodat ze de trap moesten nemen, helemaal naar de 5e verdieping. Je kunt je voorstellen dat Day (hij was met zijn 50 jaren een stuk ouder dan Studebaker) daarover mopperde en de beide koffers aan zijn assistent had gegeven. Mogelijk hadden ze onderweg nog even met één van de talrijke agenten gesproken die op zoektocht door het gebouw liepen. Volgens Day had hij namelijk van Sawyer vernomen dat de hulzen waren gevonden, maar die had via de politieradio (zie hierboven) niet de 5e, maar de 2e verdieping aangegeven als vindplaats. Dan moeten Day en Studebaker eerst naar de verkeerde verdieping zijn gelopen, tenzij iemand hen alsnog naar de juiste verdieping had gedirigeerd.

Op de 5e verdieping aangekomen, hebben ze misschien nog even met Fritz gesproken of in ieder geval met iemand die hen kon vertellen waar ze precies naar toe moesten: de verdieping mat 30 bij 30 meter. Ze zetten hun koffers met daarin o.a. fotoapparatuur, op dozen in de zuidoosthoek van het gebouw. Day en Studebaker hadden nog maar net contact gemaakt met Montgomery en Johnson toen Sims kwam vragen of ze foto’s wilden nemen van het geweer. Day had nog wel de tegenwoordigheid van geest om Sims de hulzen op te laten pakken en ze op vingerafdrukken te controleren. Daarna werden ze in een door Day meegenomen envelop gestopt en werd daarop de tijd gezet waarop dat gebeurde: 23 minuten over één.

Toen dat was afgehandeld, gingen Day en Studebaker inderhaast naar de plek waar het geweer op hen lag te wachten en namen daar twee foto’s van. Daarna had voor Day het veilig stellen van het moordwapen prioriteit: hij bracht het naar het politiebureau. Gezien de beperkte tijd die beide heren tot hun beschikking hadden, is het denkbaar dat ze niet aan het nemen van foto’s van de hulzen waren toegekomen.

De merkwaardigheden op een rijtje

De tot dusver besproken merkwaardigheden sluiten niet uit dat de foto’s van de hulzen pas om half vier waren genomen. We vatten ze nog even samen:

  • De Commissie kon geen getuigen vinden die zeiden er absoluut zeker van te zijn dat de foto’s om half twee waren genomen.
  • Day nam na drie uur een drietal foto’s vanuit het verkeerde raam. Hij was toen dus niet op de hoogte vanuit welke raam er was geschoten. Dat is moeilijk te begrijpen als hij de foto’s van het schuttersnest al om half twee had genomen.
  • Twee foto’s tonen auto’s die blijkbaar twee uur lang op precies dezelfde plek stonden geparkeerd.
  • Day en Studebaker moesten handelen onder tijdsdruk: ze kunnen niet eerder dan om kwart over één (maar waarschijnlijk nog later) op de 5e verdieping zijn aangekomen en kort daarna werden ze al geroepen om foto’s van het geweer te maken.

Een foto zegt meer dan duizend woorden

Op vrijdagmiddag 22 november nam William Allen (die eerder op de middag Studebaker’s werkzaamheden had vastgelegd) tussen 4 en 6 uur een foto van het door Day en Studebaker gereconstrueerde schuttersnest. We gaan die foto vergelijken met CE 715, die volgens Day om half twee was genomen, dus voordat het schuttersnest was vernietigd. Omdat CE 715 het schuttersnest zou tonen zoals dat er oorspronkelijk had uitgezien, moeten beide foto’s dus van elkaar verschillen. Er was immers geen plattegrond gemaakt van de stapels dozen rond het schuttersnest en evenmin een beschrijving van waar de stapels stonden. Afgaande op het aantal keren dat hun herinnering hen tijdens het verhoor in de steek liet, bezaten Day en Studebaker allerminst een fotografisch geheugen. Het is dus onmogelijk dat zij zich nog precies konden herinneren hoe de dozen hadden gestaan. We zetten de foto’s onder elkaar.

Afbeelding 12: CE 511, later opnieuw genummerd als CE 715 (17H p. 499). Op deze foto zijn twee van de drie hulzen te zien. Nummer drie ligt bijna tegen de doos rechts op de voorgrond en is daardoor niet te zien. Volgens Day werd deze foto op 22 november om 20 minuten over één gemaakt. Bron: zie Afbeelding 2.
Afbeelding 13: Foto van het schuttersnest gemaakt door William Allen op 22 november 1963, ’s middags tussen 4 en 6 uur. Deze foto toont de reconstructie van het schuttersnest die Day en Studebaker hadden gemaakt. De hulzen waren al verwijderd.

We zien op beide foto’s een rij dozen die het schuttersnest afscheiden van de rest van de omgeving. De bovenste doos toont een brede papieren plakstrip, de doos daaronder toont een soort van kneuzing en aan de onderkant van de plakstrip zit een oneffenheid. De drie dozen staan op beide foto’s precies op de zelfde plek: halverwege de plakstrip op de onderste doos. De derde doos in de stapel staat een centimeter naar voren en de doos daar bovenop (met de brede plakstrip) staat eveneens een centimeter naar voren. De tweede doos van onderen vertoont op beide foto’s exact de zelfde sporen van het poeder dat Studebaker had gebruikt om vingerafdrukken te sporen. Het enige belangrijke verschil is dat – als je goed kijkt – CE 715 twee van de drie hulzen laat zien. De verdere overeenkomsten spreken voor zich: de stempel op de onderste doos is identiek, net als die op de doos die rechts in de hoek. Allen’s foto laat nog net de rand van een doos zien die op de vensterbank staat.

Kortom, we hebben twee bijna identieke foto’s, waarvan de ene genomen zou zijn voordat het schuttersnest was afgebroken en een tweede waarvan we zeker weten dat het de reconstructie van de schuttersnest weergeeft. De conclusie kan niet anders zijn dan dat Day en Studebaker pas om half vier, nadat zij de dozen lukraak hadden teruggezet en de hulzen er hadden neergelegd, de foto’s hadden genomen. Tom Alyea had dit – zonder overigens bewijzen te kunnen geven – al in de jaren ’90  opgemerkt:

“Hoe de barricade precies had gestaan is nooit door de politie gefotografeerd. Hoe ze werkelijk hadden gestaan is alleen ze zien op mijn film, die was genomen voordat de politie met de ontmanteling van de barricade was begonnen. (…) Ik zou graag willen weten waarom de politie terug kwam op deze plek, anders dan om alsnog de foto’s te nemen die ze tijdens hun eigenlijke onderzoek hadden vergeten. Maar het bewijs was vernietigd en ze werden gedwongen om hun eigen versie te scheppen. De foto die ik van de barricade heb gezien leek er in de verste verte niet op.”

Bron: Connie Kritzberg, Secrets from the Sixth Floor Window, p 39-46 zie ook: https://www.jfk-online.com/alyea.html  (geraadpleegd op 23 september 2023).

Het filmpje dat Alyea van het schuttersnest maakte, is helaas verdwenen, zodat we niet weten hoe het er oorspronkelijk had uitgezien.

De bewijsketen ontbreekt: drie hulzen in een ongesloten envelop

Er is echter nog wel één probleem: als Day en Studebaker hun foto’s pas om half vier hadden genomen, moesten ze de hulzen nog in hun bezit hebben gehad. Maar Day had in zijn verslagje van 8 januari gezegd dat Sims de hulzen had meegenomen. En Sims was om twee uur met de hulzen naar het politiebureau gegaan. Hoe kan Day dan om half vier de hulzen hebben gefotografeerd? Op de een of andere manier moet hij over die hulzen hebben kunnen beschikken.

Sims verklaarde op 6 april 1964 dat hij de hulzen niet had meegenomen, maar twee dagen later werd hij opnieuw verhoord. Toen ging het alleen om de vraag of hij de hulzen nu wel of niet had meegenomen. Sims zei dat hij op 6 of 7 april – na zijn eerste verhoor – met Fritz had gesproken. Fritz herinnerde hem er toen aan dat hij op 22 november tegen Sims had gezegd dat hij de hulzen mee moest nemen. Dat was overigens volgens Sims in zijn eerste verhoor niet de reden waarom hij terug ging naar het schuttersnest. Hij deed dat om Day op te halen zodat die foto’s van het geweer kon nemen. Maar goed, Sims herzag zijn eerste verklaring en stelde op 8 april dat hij zich nu wel herinnerde de hulzen mee te hebben genomen. Al met al dus niet erg overtuigend.

Het lijvige rapport van de politie van Dallas vermeldt niet wie zich in het Schoolboekengebouw over de hulzen had ontfermd. Alhoewel Montgomery en Johnson tot half drie bij het schuttersnest aanwezig waren, werd aan hen door de Warren Commissie niet gevraagd wie de hulzen had meegenomen. Gezien de wankele verklaring van Sims is de meest waarschijnlijke optie dat Day de hulzen in zijn bezit had gehouden. De andere mogelijkheid is dat Day op het politiebureau de hulzen van Sims had gekregen voor hij om  half drie terug ging naar het Schoolboekengebouw. Qua tijd had dat gekund: Sims, Boyd en Fritz waren om kwart over twee weer op het politiebureau aanwezig.

Ball en Belin in de problemen

Een soortgelijke foto als die William Allen van het schuttersnest maakte, werd opgenomen in het in januari 1964 verschenen Four Days, een fotoboek over de dood en begrafenis van president Kennedy. Dit was het eerste boek dat over de moord op Kennedy werd gepubliceerd. Het kan niet anders of Ball en Belin hebben dit boek onder ogen gehad. Een maand na de publicatie van het boek schreven zij hun voorlopig verslag, met daarin verwijzingen naar de door Day en Studebaker genomen foto’s van het schuttersnest.

Afbeelding 14: Het eerste boek dat over de moord op President Kennedy verscheen, drukte twee foto’s af die op het schuttersnest betrekking hadden. Beide foto’s werden op vrijdag 22 november genomen. De foto links toont de afbraak van het schuttersnest (zie pijl). De foto rechts werd na 4 uur genomen en geeft de reconstructie weer van het schuttersnest. Ball en Belin moeten deze foto’s hebben gezien en vooral de rechter foto zal hen hebben doen schrikken: Day’s foto (CE 715) zag er precies zo uit. Bron: Four Days, p. 28.

Dat de overeenkomst tussen CE 715 (Afb.2 en Afb.12) en de foto in Four Days (Afb.14 rechts)  door latere onderzoekers niet werd opgemerkt, is geen wonder. Al snel verscheen het ene na het andere boek over de aanslag op Kennedy. Four Days geeft geen analyse of verdere bijzonderheden over de toedracht van de moord en werd daarom (ook door mij) snel terzijde gelegd.

Maar Ball en Belin moeten al in februari 1964 de verbijsterende overeenkomst met CE 715 hebben geconstateerd. “Hoe kan dat ooit?” moeten zij hebben gedacht. En meteen daarna: “Wat nu? Hoe pakken we dit aan?” Moesten ze in hun definitieve verslag zetten dat er geen foto’s van het oorspronkelijke schuttersnest waren gemaakt? Maar dan moesten ze ook openbaar maken dat de politie van Dallas met het bewijsmateriaal had gefraudeerd. Dat zou hun hele zaak tegen Oswald aan het wankelen hebben gebracht.

Beide heren deden toch nog een voorzichtige poging om getuigen te vinden die het nemen van de foto’s daadwerkelijk hadden gezien. Zoals we zagen viel dat tegen. Ball en Belin moeten toen hebben besloten om het daarbij te laten. Misschien wilden zij zich nog een beetje gerust  stellen door Sims nader aan de tand te voelen en hem zover te krijgen dat hij zich – na aansporing van Will Fritz – herinnerde de hulzen te hebben meegenomen. Zo leek dat deel van het probleem tenminste opgelost.

Deze gang van zaken verklaart ook waarom CE 715 niet in het eigenlijke Warren Rapport (dat in september 1964, 900 pagina’s dik, uitkwam) werd opgenomen. Ball en Belin zullen het risico niet hebben durven nemen dat de gelijkenis met de foto uit Four Days ook anderen zou opvallen. CE 715 moest natuurlijk wel opgenomen worden in de bijlagen, maar die werden pas in november 1964 gepubliceerd: 26 dikke delen in totaal. Ball en Belin zullen hebben gehoopt dat CE 715 daar niet zou opvallen. En in die hoop werden zij niet teleurgesteld.

Conclusies

De Warren Commissie faalde in het achterhalen wat er op de 5e verdieping tijdens het politieonderzoek was gebeurd. Zij probeerde weliswaar getuigen te vinden die iets konden zeggen over het tijdstip waarop de foto’s waren genomen, maar zij ondervroeg (toevallig?) alleen degenen die dat niet konden weten. Ze stelde aan Montgomery en Johnson (die het juist wel konden weten) niet de vragen waar het werkelijk om ging. Wisten zij zeker dat Day en Studebaker om half twee de foto’s hadden gemaakt? En: wie had de hulzen meegenomen?

Dit kun je fouten noemen die in elk onderzoek worden gemaakt, maar omdat Ball en Belin geweten moeten hebben dat de foto’s van de hulzen niet deugden, was er sprake van boze opzet. Dat geldt ook voor het stommetje spelen door Belin toen Mooney tot twee keer toe opmerkte dat Fritz de hulzen had opgepakt. En waarom werd Fritz daar niet mee geconfronteerd? Deze manier van werken toont aan dat het de Commissie niet om de waarheid ging.

Tot twee maal toe verklaarde Day in zijn verhoor dat de envelop niet was dichtgeplakt. Doordat Day in dit opzicht wel eerlijk was geweest, konden Ball en Belin geen bewijsketen constateren. Verwisseling van de hulzen kan dus hebben plaatsgevonden, mogelijk om de schuld op Oswald te werpen. De Warren Commissie loste dat probleem vakkundig op door de open envelop in het eigenlijke rapport te verzwijgen. Dit soort misleiding maakte het Warren Rapport er niet betrouwbaarder op.

Getuige de identieke foto’s (CE 715 en Allen’s foto) werden de hulzen niet om half twee, maar pas rond half vier door Day en Studebaker gefotografeerd. Zij hadden dus meineed gepleegd in hun verhoor voor de Warren Commissie. Aan de ene kant is die handelwijze wel te begrijpen: de politie van Dallas had al een modderfiguur geslagen toen Oswald op het politiebureau in aanwezigheid van 70 agenten werd vermoord. Zij kon het zich niet veroorloven dat er nog meer fouten in de openbaarheid zouden komen. Maar als de politie een loopje met de waarheid nam om haar tekortkomingen te maskeren, hoe betrouwbaar is dan het bewijs dat zij tegen Oswald had verzameld?

Bronnen

Literatuur: Warren Rapport (1964), p. 79, 557 en 566; Four Days: The Historical Record of the Death of President Kennedy (1964); Connie Kritzberg, Secrets from the Sixth Floor Window (Tulsa 1994); Sherry P. Fiester, Enemy of the Truth: Myths, Forensics, and the Kennedy Assassination (Southlake 2012), p. 1-56, waarin echter de vraag wanneer de foto’s van de hulzen werden genomen, niet aan de orde komt.

Verhoren: Luke Mooney (3H 281-291 – 25 maart 1964); Robert Studebaker (7H 137-149 – 6 april); L.D. Montgomery (7H 96-99 – 6 april); Marvin Johnson (7H 100-105 – 6 april); Richard Sims (7H 158-186  – 6 en 8 april);  Elmer Boyd (7H 119-137 – 6 april); Gerald Hill (7H 43-66 – 8 april); J. Herbert Sawyer (6H 315-325 – 8 april);  J.W. Fritz (4H 202-249 – 22 april 1964); J.C. Day (4H 249-278 – 22 april). Deze verhoren zijn eveneens op internet te vinden.

Rapporten: Politierapport Sims en Boyd in: Bijlagen Warren Rapport, deel 24, p. 195-404 (CE 2003). Rapport Carl Day: Bijlagen Warren Rapport, deel 26, p. 829-831 (CE 3145).

Foto’s 5e verdieping Schoolboekengebouw: Bijlagen Warren Rapport, deel 17, p. 213-226 en p. 499-510. De hier opgenomen foto’s zijn met dank ontleend aan de uitstekende beeldbank van de University of North Texas: The Portal to Texas History. De digitale weergaven zijn veel scherper dan de in de bijlagen van het Warren Rapport afgedrukte foto’s. Ook de drie foto’s van William Allen zijn van deze site afkomstig: ze komen niet voor in de bijlagen van het Warren Rapport.

Herkomst afbeeldingen

afb. 1: Dallas (Tex.). Police Department. [Texas School Book Depository [Print]], photograph, 1963~; (https://texashistory.unt.edu/ark:/67531/metapth49604/m1/1/?q=%22Dallas%20Police%20Department%22: University of North Texas Libraries, The Portal to Texas History, https://texashistory.unt.edu; crediting Dallas Municipal Archives.

afb. 2: https://texashistory.unt.edu/ark:/67531/metapth338712/m1/1/: University of North Texas Libraries, The Portal to Texas History, https://texashistory.unt.edu; crediting Dallas Municipal Archives.

afb. 4: Allen, William. [Dallas Police Detective Robert L. Studebaker in alleged sniper’s perch], photograph, November 22, 1963; (https://texashistory.unt.edu/ark:/67531/metapth184823/m1/1/:  University of North Texas Libraries, The Portal to Texas History, https://texashistory.unt.edu; crediting The Sixth Floor Museum at Dealey Plaza.

afb. 5:

Allen, William. [Exterior of the Texas School Book Depository], photograph, November 22, 1963; (https://texashistory.unt.edu/ark:/67531/metapth184816/m1/1/: University of North Texas Libraries, The Portal to Texas History, https://texashistory.unt.edu; crediting The Sixth Floor Museum at Dealey Plaza.

 afb. 6:           

https://texashistory.unt.edu/ark:/67531/metapth338859/m1/1/?q=%22sixth%20floor%22:

University of North Texas Libraries, The Portal to Texas History, https://texashistory.unt.edu; crediting Dallas Municipal Archives.

afb. 7: Dallas (Tex.) Police Department. November 22, 1963,  

https://texashistory.unt.edu/ark:/67531/metapth337079/m1/5/?q=%22sixth%20floor%22: University of North Texas Libraries, The Portal to Texas History, https://texashistory.unt.edu; crediting Dallas Municipal Archives.

afb. 11: Dallas (Tex.). Police Department. November 22, 1963,  https://texashistory.unt.edu/ark:/67531/metapth338859/m1/7/?q=%22sixth%20floor%22:  University of North Texas Libraries, The Portal to Texas History, https://texashistory.unt.edu; crediting Dallas Municipal Archives.

afb. 13: William Allen, November 22,

1963; (https://texashistory.unt.edu/ark:/67531/metapth184779/m1/1/: University of North Texas Libraries, The Portal to Texas History, https://texashistory.unt.edu; crediting The Sixth Floor Museum at Dealey Plaza.

Plan voor de volgende delen

  • deel 9: De vondst van het geweer op de 5e verdieping van het Schoolboekengebouw (geplande verschijningsdatum: januari 2025)
  • deel 10: Reconstructie door de Warren Commissie van de tijd die het Baker en Truly gekost zou hebben om de lunchroom op de eerste verdieping te bereiken. (februari 2025)
  • deel 11: Reconstructie van de tijd die het Baker en Truly in werkelijkheid gekost moet hebben om de lunchroom op de eerste verdieping te bereiken. (maart 2025)
  • deel 12: Reconstructie door de Warren Commissie van de tijd die het Oswald gekost zou hebben om van de 5e verdieping in de lunchroom te komen.
  • deel 13: Reconstructie van de tijd die het Oswald gekost moet hebben om van de 5e verdieping in de lunchroom te komen.
  • deel 14: Vondst van de papieren zak (waarin het geweer door Oswald vervoerd zou zijn) op de 5e verdieping.
  • deel 15: Het ontbrekende uur: Oswald op het politiebureau te Dallas tussen 2 tot 3 uur op vrijdagmiddag 22 november 1963.
  • deel 16: Ondervragingen van Oswald op 22, 23 en 24 november 1963.