Naastenliefde?
Leestijd: 2 minuten
Een vriend van mij reisde per fiets van Venray naar Deurne, dwars door de Peel, het land van de afgegraven turf op de zandgronden van Brabant. Hij reed over een brede zandweg die het wijde Peellandschap doorkruist. Het was er eenzaam en stil in deze verlatenheid van heide en schrale akkers.
En zie, hij kwam een man tegen, een marskramer, die een kistje op zijn rug droeg met motballen, elastiek, klosjes garen en sajet. Mijn vriend zei: “goeden middag” en stapte af om de weg te vragen. De man wees hem de weg. Daarna ontspon zich een gesprek: “Zo vriend, hoe gaat het? Wie ben je? Waar kom je vandaan? Heb je wat kunnen verkopen vandaag? Heb je een gezin?”
En in de loop van dit gesprek kreeg de marskramer de tranen in de ogen. Mijn vriend zei: “Maar kerel, wat zullen we nou hebben? Jij, een vent met haren op de borst en je gezicht verweerd door wind en regen, jij met je harde huid, word je nu sentimenteel? Wat scheelt er aan?”
En de man hief zijn betraande ogen op, keek hem aan en sprak: “Ja nou loop ik de hele dag door de Peel van huis tot huis en hier kreeg in een snauw, daar een verwensing en weer ergens anders stuurden ze de hond op me af. Ik heb nog geen fatsoenlijk woord gehoord vandaag. En nu komt u ineens bij me, u een wildvreemde, en u praat tegen mij, ach daar word ik toch zo “aorig” van, daar kan ik niet tegen.”
Uit: W. van Iersel, Dagboek van een arbeidsaalmoezenier (Utrecht 1950), p. 26 vlg.
Aanvulling hierop:
“Ik zie liever naar dit alles door de ogen van de gesneuvelden en de verslagenen dan door die van de zegepralenden.”
Uitspraak van Johan Huizinga in: Anton van der Lem, Johan Huizinga. Leven en werk in beelden & documenten (Amsterdam 1993), p. 142.