De moord op president Kennedy, deel 2: de Warren Commissie en haar critici
Leestijd: 12 minuten
Leeswijzer: De illustraties geven samen met de onderschriften de essentie van het verhaal weer
Instelling van de Warren Commissie
Om te voorkomen dat de Verenigde Staten na de moord op haar president zou worden gezien als de grootste bananenrepubliek ter wereld stelde de nieuwe president, Lyndon B. Johnson, een commissie in die de moord op zijn voorganger moest onderzoeken. Deze commissie stond onder leiding van Earl Warren (1891-1974), voorzitter van het Hooggerechtshof. Behalve Warren zaten er zes mannen in de Commissie. Onder hen twee senatoren en twee leden van het Huis van Afgevaardigden (te weten de beide leiders van de Republikeinse en Democratische partij in het Huis). De leider van de Republikeinen in het Huis was Gerald Ford (1913-2006) opvolger van Richard Nixon als president van de Verenigde Staten. Tot slot maakten twee vooraanstaande burgers, Allen Dulles en John McCloy, deel uit van de Commissie.
Dulles en McCloy waren niet de eersten de besten. Als typerende voorbeelden van leden van de machtselite komen zij in 1957 al voor in een boek van de Amerikaanse socioloog C. Wright Mills. Allen Dulles (1893-1974) stapte, na een aantal jaren in diplomatieke dienst werkzaam te zijn geweest, over naar het destijds grootste advocatenkantoor van de Verenigde Staten. Vervolgens trad hij opnieuw in dienst van de regering, dit keer als haar belangrijkste spion. Bijna tien jaar was Dulles namelijk directeur van de CIA, voor hij door president Kennedy werd ontslagen na de door de CIA bedachte en mislukte invasie van Cuba in 1961. John McCloy (1895-1989) was tijdens de Tweede Wereldoorlog onderminister van Oorlog. Vervolgens fungeerde hij van 1947 tot 1949 als voorzitter van de Wereldbank. Daarna vertegenwoordigde hij als Hoge Commissaris de Verenigde Staten in het pas opgerichte West-Duitsland. In 1953 trad hij toe tot de directie van één van de grootste banken van de Verenigde Staten. (Mills, 233 en 138; Warren Report p.476).

Op 24 september 1964 werd het eindrapport van deze Warren Commissie aan president Johnson overhandigd. Die merkte op dat het een dikke pil was, en dat klopt: het boek telt maar liefst 888 pagina’s. Volgens het rapport was Lee Harvey Oswald de (enige) moordenaar van zowel Kennedy als agent van politie Tippit. Twee maanden later werd een gedeelte van het bewijsmateriaal, waaronder de verhoren van bijna 500 personen, openbaar gemaakt: in maar liefst 26 delen. Je zou zeggen dat al dit materiaal, totaal bijna 20.000 pagina’s in omvang, alle twijfel weg zou nemen over wat er op 22 november had plaatsgevonden. Het tegendeel was het geval: er volgde een uiterst verwarrende, felle discussie die nog steeds voortduurt.
De Warren Commissie aan het werk
Ach, en het begon allemaal zo mooi. “Deze Commissie werd op 29 november 1963 opgericht vanwege het recht dat mensen over de hele wereld hebben op volledige en waarheidsgetrouwe kennis betreffende deze gebeurtenissen. (…) Het Rapport is opgesteld vanuit het bewustzijn dat de Commissie verantwoordelijk is om het Amerikaanse volk een objectief verslag van de feiten met betrekking tot de aanslag op president Kennedy te geven.” (Warren Report, p.1) Het is de vraag of de Commissie deze woorden heeft waargemaakt.
Nu kon de Warren Commissie niet bij nul beginnen. Al was het alleen maar omdat zowel de FBI als de politie van Dallas vanaf dag één hadden gesteld dat Lee Oswald de moordenaar was. Vanaf het begin zette ook de Warren Commissie daar op in. In december 1963 en januari 1964 werd de organisatie van het onderzoek opgezet door 25 juristen te benoemen die – soms naast hun bestaande werk – het onderzoek voor de Commissie zouden gaan verrichten. Om deze juristen tijd te geven zich in te lezen, werd in februari door de zeven commissieleden alvast begonnen met het ondervragen van Marina Oswald (de weduwe), Marguerita Oswald (de moeder) en Robert Oswald (de broer). Dat leverde bijna 500 pagina’s verhoorverslagen op. Je kunt je afvragen of het daarna nog wel mogelijk was geweest iemand anders van de moord te beschuldigen.

Gaandeweg kreeg de Commissie echter in de gaten dat het onderzoek dat de politie van Dallas had uitgevoerd van alle zorgvuldigheid was gespeend. De onduidelijkheid over welk geweer er in het Schoolboekengebouw was gevonden (dat van Oswald of een ander geweer) moge als voorbeeld dienen hoe de Commissie zulk soort zaken alsnog rechtzette. De beide agenten die het geweer hadden gevonden, Boone en Weitzman zeiden ook in het verhoor voor de Commissie dat het door hen gevonden geweer een Duits geweer, een Mauser, was. Dus niet Oswald’s geweer.
De Commissie durfde het blijkbaar niet aan om – teneinde zekerheid te krijgen – aan de beide agenten Oswald’s geweer te tonen. Wel zegt het rapport dat Boone noch Weitzman het geweer in handen hadden gehad, daarmee suggererend dat ze het geweer niet goed hadden gezien. (Warren Report, p.79) De beide agenten gaven echter op papier een duidelijke beschrijving van het wapen. Wie het hele rapport doorleest, vindt op p. 645 de vermelding dat volgens Weitzman het geweer een Mauser was. Maar, aldus het rapport, hij had het geweer slechts vluchtig gezien. Niet vermeld wordt dat Weitzman een aantal jaren in een wapenwinkel had gewerkt en dus wist waar hij het over had. En evenmin dat de andere vinder, Boone, ook dacht dat het een Mauser was. Op deze manier maakte de Commissie zich van het probleem af. Omdat het geweer (net als overigens veel ander bewijsmateriaal) niet ter plekke was gemerkt door de vinders, was opzettelijke verwisseling mogelijk. Maar daarmee zou de bodem onder het Warren Report wegvallen.

Bron: bijlagen Warren Report, deel 3, p. 295.

Bron: bijlagen Warren Report deel 24, p. 228.
Ook al werd de leiding van het politieapparaat van Dallas in de verhoren stevig aangepakt door de Commissie, in het rapport is er geen spoor van kritiek op de politie van Dallas te vinden. Als de Commissie er voor had gekozen dat wel te doen, was mogelijk meer van het bewijsmateriaal verdacht geworden. Een motief voor Oswald om Kennedy te vermoorden kon de Commissie niet vinden. Kennissen van Oswald (en ook zijn vrouw Marina) zeiden dat hij de president bewonderde en achter diens beleid (bijv. m.b.t. burgerrechten voor de zwarte bevolking) stond. Waarom zou hij hem dan vermoord hebben?

Dit alles pleit Oswald niet vrij, maar maakt wel duidelijk dat de Warren Commissie niet heeft gedaan wat zij op de eerste pagina van haar rapport zei gedaan te hebben: het instellen van een objectief onderzoek. En mede door deze selectieve werkwijze van de Commissie zou de kritiek op haar rapport zo fel van toon worden.
Blijft nog de vraag waar de Warren Commissie het lef vandaan haalde om zo met het bewijsmateriaal om te gaan. C. Wright Mills wees er in 1957 al op dat de elite – waaruit de leden van de Commissie afkomstig waren – een wereld op zich vormde met een geheel eigen ideologie. Veelal opgeleid aan de duurste universiteiten en verbonden aan de grote bedrijven van die tijd, zagen de leden van de elite volgens Mills hun rijkdom als welverdiend en voelen zij zich verheven boven het volk. Een ideologie die volgens Mills ook de sociale laag vlak onder de superrijken kleurde. De leden daarvan waren immers afhankelijk van de toplaag als het op hun carrièreperspectief aankwam. (Mills, Power Elite, 14, 248 en 348). In het geval van de Warren Commissie waren dat de 25 meestal jongere juristen die het eigenlijke werk voor de commissie uitvoerden.
Volgens Mills ging het bij de elite niet om waarheidsvinding, maar om een goed doordacht public relations beleid. Redelijke argumentatie werd dan ook niet belangrijk gevonden. Manipulatie van feiten wel, alsmede het maken van beslissingen die waren gebaseerd op hun macht. Daardoor werd een democratische controle onmogelijk. (Mills, 286 en 355). Zo gaf Mills avant la date een typerende beschrijving van de wijze waarop de Warren Commissie haar onderzoek zou verrichten.

Gewapend tegen kritiek
Over de opzet van het Report (de public relations dus) was goed nagedacht. Op minstens drie manieren was er in het Warren Report voor gezorgd dat haar verhaal als waar zou worden aangenomen. Al meteen het eerste hoofdstuk geeft in 25 pagina’s een samenvatting van het onderzoek. Handig voor journalisten die natuurlijk geen tijd hadden al die 888 pagina’s door te spitten. En in deze samenvatting waren alle kreukels gladgestreken. Critici die de moeite namen om de 26 delen met verhoren en bewijsmateriaal door te nemen, ontdekten veel tegenstrijdigheden tussen het bewijsmateriaal en de gepolijste weergave daarvan in het Warren Report. Maar met de handige samenvatting had de Commissie de journalisten deskundig op het verkeerde been gezet.
In de tweede plaats werd er in het rapport voor gezorgd dat eventuele kritiek zou verstommen. Daartoe werden in het Warren Report kort onderwerpen waarover in de media al twijfel of onduidelijkheid was ontstaan, in een apart hoofdstuk weersproken. Zij het niet steeds op even overtuigende wijze, zoals hierboven al bleek bij de bespreking van het gerucht dat het gevonden geweer niet dat van Oswald was.
In de derde plaats werd na de publicatie van het Warren Report de commissie meteen ontbonden: discussie gesloten was de boodschap van de Commissie. Als commissie zou zij zich niet mengen in het debat dat daarna in alle hevigheid ontstond. Met hun rapport hadden de samenstellers op korte termijn hun doel bereikt: officieel was vastgesteld wie de dader was. En mede dankzij de handige samenvatting waren de media daar ook van overtuigd geraakt.

Complottheorieën
Complottheorieën staan in een kwade reuk. Zo bespreekt Robert Williams in zijn inleiding tot de geschiedenis uit 2003 een aantal voorbeelden van wat hij anti-geschiedenis noemt. Hij pakt stevig uit door meteen na de ontkenning van de Holocaust als tweede voorbeeld van anti-geschiedenis te noemen: “Een groot complot was verantwoordelijk voor de dood van president John F. Kennedy.” Williams: “Dit zijn onjuiste beweringen. Er is geen enkel bewijs voor.” (Williams, Toolbox, p.32) Ieder weldenkend mens zal de ontkenning van de Holocaust inderdaad een bizar idee vinden. Maar is het Warren Report een heilig boek dat boven alle kritiek is verheven?
Critici stellen dat de Commissie door haar werkwijze het vertrouwen in regeringsinstanties beschadigde en daardoor de complottheorie aller complottheorieën in het leven heeft geroepen. Al snel na de publicatie van het Warren Report kwam er kritiek. Meer dan 1.000 boeken en talloze artikelen zijn sindsdien over de best gedocumenteerde moord uit de geschiedenis verschenen. De meeste van deze publicaties gaan er van uit dat er sprake was van een complot om Kennedy uit de weg te ruimen. De kritiek op de Warren Commissie gaat vaak verder dan het punt dat de commissie wordt verweten fouten te hebben gemaakt. Volgens veel critici zou de commissie feiten die niet in haar theorie pasten, bewust hebben verdraaid of genegeerd, mogelijk om daardoor de werkelijke plegers van de aanslag de hand boven het hoofd te houden.
De complotten die in de duizend boeken worden uiteengezet, hebben alle een andere opvatting. Vaak wordt gekeken naar de groepen die een motief hadden om president Kennedy te vermoorden. En dat waren er nogal wat. We stippen er een viertal aan.
In de eerste plaats had de georganiseerde misdaad een duidelijk motief. Robert Kennedy, de broer van de president, was als minister van justitie begonnen met jacht te maken op de leiders van de maffia. Het achterliggende idee luidde dat als de president was vermoord, diens broer ook snel van het toneel zou verdwijnen.
In de tweede plaats wordt vaak ook gewezen op de FBI als betrokken bij de aanslag. Haar directeur, Edgar J. Hoover, was de FBI als zijn eigen imperium gaan beschouwen. Maar toen Robert Kennedy minister van Justitie werd en de touwtjes stevig in handen nam, werd Hoover onderhorig aan zijn nieuwe baas. Ook hier was de theorie dat wanneer de president verdween, men ook van diens broer was verlost. Critici wijzen er op dat de FBI al vanaf het begin Oswald als enige dader zag en naliet andere sporen te volgen. Ook dat maakte de FBI volgens hen verdacht.

Als derde verdachte die andere, machtige federale organisatie, de CIA. Deze begon steeds meer een staat in een staat te worden, en was volgens sommige critici bang dat Kennedy haar macht zou inperken. Daar had hij al een begin mee gemaakt door haar directeur, Allen Dulles, in 1961 te ontslaan. In sommige landen had de CIA gepoogd de zittende regering omver te werpen. Dat zou zij na 1963 blijven doen: zo werd in 1973 de linkse president van Chili, Allende, met hulp van de CIA afgezet waarna er een militaire dictatuur werd gevestigd. Redenen genoeg voor sommige critici om de CIA in het verdachtenbankje te plaatsen.

Tot slot het probleem Cuba waar in 1959 Fidel Castro aan de macht was gekomen. Veel aanhangers van de afgezette en corrupte dictator Batista, waren naar Florida en Lousiana gevlucht. Vandaar uit, soms geholpen door de CIA, zetten die vluchtelingen oefenkampen op om mensen te trainen voor een nieuwe inval in hun oude vaderland. Na de mislukte invasie en de Cuba-crisis van 1962 voelde Kennedy weinig voor een nieuwe poging om het bewind van Castro omver te werpen. Dat zou de Cubaanse ballingen een motief hebben gegeven om Kennedy te (laten) vermoorden.
Het is duidelijk dat al deze theorieën elkaar tegenspreken en dat de rol die Oswald wordt toebedacht per theorie verschilt. Was Oswald echt links georiënteerd of was hij toch een informant van de FBI, zoals het gerucht ging? Door deze wirwar van theorieën is het wel enigszins te begrijpen dat iemand als Williams niets van zulke opvattingen moet hebben.
Zijn de werkelijke daders nog te vinden?
Het lijkt overigens vrij zeker – zoals Josiah Thompson al in 1967 stelde – dat er sprake was van minstens twee schutters op Dealey Plaza. Eén van hen zou geschoten hebben vanaf het Schoolboekengebouw of van een naburig hoog gebouw, en een ander vanaf een heuveltje grenzend aan Elm Street, waar de stoet van Kennedy langs kwam. Dat heuveltje stond bekend als de grassy knoll, maar deze term zal men in het Warren Report vergeefs zoeken. Raar is dat wel: dit was de plek die vrijwel meteen door zowel politieagenten als burgers werd gezien als plek waar de schutter zat. Vorig jaar deed Thompson zijn onderzoek met gebruikmaking van nieuwe gegevens nog eens dunnetjes over. Hij komt tot een soortgelijke conclusie, maar doet wijselijk geen uitspraken over wie die schutters en hun opdrachtgevers waren. En ook laat hij in het midden of Oswald één van die schutters was. (Thompson, Six seconds in Dallas en Last Second in Dallas).

McKnight komt eveneens tot de conclusie dat er sprake was van een complot. Maar hij stelt dat er tot nog toe geen smoking gun is ontdekt in de documenten die bij tijd en wijle door de Amerikaanse regering worden vrijgegeven. Het is volgens hem onwaarschijnlijk dat zoiets ooit nog zal gebeuren omdat degenen die de moord hadden moeten onderzoeken (de Warren Commissie, de FBI en de CIA) dat destijds grotendeels hebben nagelaten. (McKnight, Breach of Trust, 354).
Victor Bugliosi schreef met afstand het dikste boek dat tot dusver over de moord op Kennedy is verschenen. Hij is geen aanhanger van complottheorieën, integendeel, volgens hem staat het vast dat Lee Harvey Oswald de moordenaar van president Kennedy is. Maar ook hij maakt duidelijk dat indien er een complot was geweest (nogmaals, dat was er volgens hem niet), de aanslagplegers er voor zullen hebben gezorgd dat er zo weinig mogelijk op papier kwam te staan. (Bugliosi, Reclaiming History, endnotes p. 676).
Slot
De meeste complottheorieën spreken elkaar tegen over de vraag of Oswald één van de schutters was. In de volgende blogs van deze serie wordt de werkwijze van de Warren Commissie gedetailleerd onder de loep genomen. Mogelijk kunnen we dan tevens de vraag beantwoorden of Oswald één van de schutters is geweest.
Bronnen
C. Wright Mills, The Power Elite (New York 1957); Warren Report (1964); Hearings Before the President’s Commission on the Assassination of President Kennedy (1964, 26 delen); Josiah Thompson, Six seconds in Dallas (1967); Robert C. Williams, The Historian’s Toolbox: A Student’s Guide to the Theory and Craft of History (New York 2003); McKnight, Breach of Trust (2005); Victor Bugliosi, Reclaiming History: The Assassination of President John F. Kennedy (New York 2007); Josiah Thompson, Last Second in Dallas (2021).
Plan voor volgende blogs
deel 3: Hoe onderzoek je (niet) een plaats delict?
deel 4: Oswald op de trap – de reconstructie door de Warren Commissie
deel 5: De papieren zak of hoe de Warren Commissie met bewijs omging
deel 6: Line-ups of hoe de Warren Commissie met bewijs omging
deel 7: Lee Harvey Oswald verhoord
