De krachteloze kerk in de Nederlanden van de 17e en 18e eeuw

15 januari 2021 Uit Door Paul Th. Kok

Leestijd: 9 minuten

Hoe kon een in potentie revolutionair christendom (“heb je naaste lief als jezelf”)  verworden tot een parodie op zichzelf?

Amsterdam in 1740: de kilte van een christelijke samenleving

De winter van begin 1740 was zeer streng, het was stervenskoud. Daardoor was er ook nog eens een groot tekort aan drinkwater. Begin februari was een al wat ouder echtpaar,  woonachtig in een bouwvallig huisje op het Franse Pad, naar bed gegaan, maar de vrouw kon niet slapen van de kou. Geld voor brandstof was er niet. Toen zij na een poosje met haar man wilde praten, bleek die te zijn overleden van de kou. De vrouw stond op, riep wat buren om haar man af te leggen en ging vervolgens weer naar bed. Toen de volgende morgen de wagen van het gasthuis kwam om de man te begraven (het waren arme mensen) trof men in het huis ook de vrouw dood aan. Er zouden in die eerste maanden van het jaar nog meer mensen door de kou omkomen.

Vervallen woningen aan het Franse Pad in Amsterdam omstreeks 1800. Tekening uit ca. 1820 door J.H. Knoop (bron: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

Iets eerder in de zelfde winter, vroegen matrozen (die reeds hadden aangemonsterd) op 17 januari aan de bestuurders van de Amsterdamse VOC (de zgn. ‘bewindhebbers’) hen kostgeld te geven, zodat ze onderdak konden krijgen. Door de strenge kou konden (of mochten) ze niet aan boord komen. De heren peinsden er echter niet over dat te doen. Toen de bewindhebbers na een tijdje het kantoor van de VOC (het Oostindisch Huis) weer verlieten, waren de matrozen er nog steeds en begonnen straatvuil naar de eerwaarde heren te gooien. Een aantal van de matrozen werd opgepakt en een paar dagen later in het openbaar gegeseld. Eén van hen werd vervolgens voor 20 jaar in het rasphuis geplaatst.

Drie jaar later stierf één van die bewindhebbers van de Amsterdamse afdeling van de VOC, de puissant rijke oud-burgemeester Lieve Geelvinck (1676-1743). Toen hij zijn einde voelde naderen riep Geelvinck een predikant bij zich. Samen zouden ze gaan bidden en met veel moeite hees Geelvinck zich overeind om net als de predikant ook op zijn knieën te gaan liggen. De predikant zei daarop tegen hem dat God zijn pogingen vast wel waardeerde, maar dat hij moest blijven zitten omdat hij onvoldoende kracht meer had om te gaan knielen. Waarop de oud-burgemeester antwoordde: “De krachten, die God mij nog overlaat, zal ik  besteden om hem te dienen” en ging ook op zijn knieën liggen bidden.

Mag je oordelen over hoe mensen vroeger handelden?

We weten van de gebeurtenissen hierboven omdat ze beschreven zijn door  Jacob Bicker Raije (1703-1777) in een dagboek dat hij 40 jaar lang (van 1732 tot 1772) heeft bijhouden. Amsterdam was destijds met 200.000 inwoners na Londen en Parijs de grootste stad in West-Europa, daar gebeurde meer dan genoeg om het dagboek te vullen. Jacob was geboeid door het panorama van gebeurtenissen die hij meemaakte of waarover hij hoorde vertellen. De rijkdom en uitspattingen van de rijke inwoners van de stad steken in zijn dagboek scherp af tegen de ellende waarin een groot deel van de bevolking moest leven.

Vaak wordt gesteld dat we de daden van personen uit vroeger tijden niet moeten beoordelen (laat staan veroordelen) op basis van onze huidige waarden en normen. Dat zou onhistorisch én onterecht zijn. Moet je – net als Jacob – het  ontroerend vinden dat Geelvinck probeerde om met zijn laatste krachten tot God te bidden? Of moeten we Lieve Geelvinck  als schijnheilig bestempelen, omdat hij wel gelovig wilde bidden, maar dat geloof verder liever niet in praktijk bracht: hij liet immers ondanks zijn enorme rijkdom de matrozen letterlijk en figuurlijk in de kou staan.

“Als het kwik daalt, stijgt de nood der armen.” De kleine ijstijd was de periode na de Middeleeuwen tot het eind van de 19e eeuw waarin het duidelijk kouder was dan daarvoor. Als je aan de rand van een stad woonde of op het platteland was het nog mogelijk om hout te gaan sprokkelen. De waterpomp in het midden van het schilderij gaf geen water in de winter. Schilderij door C. Springer, 1875.

Mensen konden in de welvarende, christelijke Republiek sterven van de kou en opgesloten worden als ze zich verzetten tegen de rijke machthebbers. De Nederlandse historicus Johan Huizinga merkte al op dat er in de tijd geen eenheid is: over veel zaken werd ook vroeger binnen verschillende groepen heel verschillend gedacht. Voordat Jacob begon met zijn dagboek hadden verschillende Nederlandse predikanten al geageerd tegen de levenswijze van de rijken der aarde. Twee voorbeelden geven we daarvan: Saldenus en Lodenstein.

“Hun goud is hun God”

In 1667 had Saldenus (1627-1694), in een boekje over de dood, scherpe kritiek geleverd op de levenswijze van de rijken in die tijd. Saldenus klaagde in dit boekje over de afname van de liefdadigheid; ‘Waar zijn tegenwoordig de geschenken en giften die aan de ellendigen evengoed vermaakt werden als aan mensen die vaak nog niet het duizendste deel ervan nodig hebben? Den arme gegeven is Gode geleend. Neemt dit ter harte gij onbarmhartige rijkaards die vaak vele behoeftigen schier van honger zouden laten sterven. Of althans zo weinig in uw legaten en testamenten gedenkt.”

Oh ja, er waren toch wel mensen die aan de dood dachten zei Saldenus. Maar dan ging het om het laten maken van prachtige grafstenen en het verkrijgen van ambten en hoge functies voor hun kinderen. Echter, Saldenus kwam ook met een waarschuwing: je moest wel kunnen genieten van dit aardse leven en dus niet al je goederen weggeven. Nou, dat had hij echt niet hoeven zeggen, maar het geeft wel aan dat ook in zijn tijd er blijkbaar toch mensen waren die het evangelie echt in praktijk wilden brengen.

Scherper nog dan Saldenus bracht Lodenstein (1620-1677) soortgelijke kritiek onder woorden. Hij behoorde tot de kleine minderheid van piëtisten, die de nadruk legden op het belang van een innerlijk geloofsleven en op het in praktijk brengen van de naastenliefde. Lodenstein was ongetrouwd, financieel onafhankelijk en bewoonde een prachtig groot huis in Utrecht. Toch gaf hij veel geld aan de armen, en leefde hij zelf als asceet. ’s Ochtends stond hij tussen 3 en 4 uur op: de man had blijkbaar weinig slaap nodig. 

Lodenstein bewoonde in Utrecht een groot huis. Het is voorstelbaar dat daardoor veel mensen zijn vermaningen over de manier waarop rijke mensen leefden, niet serieus namen. Dat deed Lodenstein zelf immers ook niet? Uit: M.J.A. de Vrijer, Uren met Lodenstein. Baarn z.jr.

Lodenstein veroordeelde de ”onderdrukking van de kleine man”, maar ook het vloeken en het veelvuldige bezoek aan kroegen en speelhuizen. Maar Lodenstein richtte zijn pijlen vooral op de rijken der aarde die zich christenen noemden, maar er niet naar leefden: het waren volgens hem slechts ‘naamchristenen’: “Maar zie de mensen eens woelen om het wereldse goed! Het goud is hun God. Ze schrapen alles bijeen.” Deze zogenaamde christenen beleefden volgens Lodenstein zoveel genoegen aan hun bezittingen dat ze er zich niet van bewust waren dat hun bezit ook aan de armen ten goede moest komen.

Lodenstein wees daarbij op de eerste christengemeente in Jeruzalem waar men vond dat onder christenen alle goederen gemeenschappelijk bezit waren. En dat hield volgens hem veel meer in dan alleen liefdadigheid. Die levenswijze moest het voorbeeld zijn voor de christenen van zijn tijd, maar dat was voor verreweg de meeste mensen niet: “Maar zie eens hoe weinig daarvan in praktijk terecht komt.” Dat betekende echter niet dat de arme met geweld het bezit van de rijke mocht opeisen, want de rijken waren volgens hem door God tot rentmeester aangesteld. Daarmee had Lodenstein zich in een patstelling gemanoeuvreerd: hij gaf geen uitweg voor de armen, alleen vermaningen aan de rijken.

Hoe kon een in potentie revolutionair christendom verworden tot een parodie op zichzelf?

Vermaningen als die van Lodenstein en Saldenus sorteerden bitter weinig effect. Dat Lodenstein in een prachtig huis woonde zal zijn vermaningen tegen de rijken toch wat ongeloofwaardig hebben gemaakt. En in het geval van Saldenus zal het onderwerp van het boekje waarin hij de rijken de mantel uitveegde ook een belemmerende rol hebben gespeeld. Dat boek ging over hoe de mens om moest gaan met zijn dood, hoe men zich op het hiernamaals moest voorbereiden. Nou, dat was ook toen voor de meeste mensen geen lievelingsonderwerp. In wezen besprak Saldenus twee taboes: de gevaren van het bezit en van de dood. Het boekje zal daarom niet veel zijn gelezen, ondanks de vele herdrukken, tot in de 20e eeuw toe.

Maar er is een veel belangrijker reden waarom deze predikanten de  kerk niet konden veranderen. En die werd door Lodenstein ook al onder woorden gebracht. “De wereldse mensen hebben de overhand. Indien de vromen de boventoon hadden, zou Jezus Koning zijn. De Kerk wordt geregeerd door de geest der wereld. Ieder wil de voornaamste zijn.” De kerk van die dagen was onderhorig aan de overheid, die predikanten kon ontslaan, waardoor fundamentele kritiek (als predikanten die al wilden leveren) geen kans van slagen had.

Feestvieren, dansen en (te) stevig drinken (zie de man die over de grond kruipt) werden gezien als volksziekten waarvan de bestrijding bij predikanten prioriteit had boven de levenswijze er rijken. Voor veel mensen was dit een van de manieren om het leven leefbaar te houden. Aquarel door G.D. Hoogendoorn uit: A.A. Van Schelven, Van Hoepelrok tot Pruikentooi (Nijkerk z.jr.).

In de tijd is geen eenheid stelde Huizinga al vast. Er was steeds een onderstroom in de kerk die de christelijke leer in praktijk wilde brengen, maar die niet opgewassen was tegen de mainstream kerk, die beheerst werd door de elite. Het lijkt wel alsof de meeste predikanten het er (soms misschien noodgedwongen) bij lieten zitten en zich niet meer richtten op de grote, echte zonde: het verafgoden van de rijkdom. In plaats daarvan ageerden zij tegen de naar verhouding kleine zonden, zoals het veelvuldige bezoek aan kroegen, kermissen en gokhuizen. Allemaal zaken die door de predikanten als volksziekten werden gezien, maar die voor een deel juist het gevolg waren van de onrechtvaardige inrichting van de samenleving. Ze fungeerden als uitlaatklep voor de grote meerderheid van de bevolking die alleen met heel hard werken in leven kon blijven. Zo hadden ook zij hun plezier. De grote zonde werd weliswaar ongemoeid gelaten, maar ook toen wisten mensen wat ze verkeerd deden, ze waren geen gevangenen van hun tijd, of van hun cultuurkring. Wel – toen al – van de Mammon, de afgod van het geld.

Literatuur:

Twee maal is een (deels elkaar overlappende) selectie uitgegeven van het dagboek van Bicker Raye: Jacob Bicker Raye, Notites van het merkwaardigste meyn bekent 1732-1772, Amsterdam 1935 en: Machiel Bosman, De polsslag van de stad. De Amsterdamse stadskroniek van Jacob Bicker Raye (1732-1772), Amsterdam 2009.

Zie verder: Saldenus, Leven uit de dood of bondig en noodzakelijk onderricht om zalig te worden door zijn eigen, en heiliger te worden door een andermans dood. Utrecht 1977 (orig. 1671) en M.J.A. De Vrijer, Lodenstein, Baarn z.jr. (ca 1935).