Cultuur van de armoede: een rijkeluisidee
Leestijd: 6 minuten
Oscar Lewis en de ‘culture of poverty’
Wat mij 20 jaar geleden in het kader van mijn promotieonderzoek naar armoede in Leeuwarden rond 1900 vooral interesseerde was de vraag of de levenswijze van de allerarmsten sterk afweek van de rest van de samenleving. En dat bracht me bij de Amerikaanse antropoloog Oscar Lewis (1914-1970). Hij had indertijd een theorie opgesteld over de levenswijze van armen, heeft die levenswijze zelfs een naam gegeven (culture of poverty, armoedecultuur), dus hij zou wel weten hoe dat zat.
Lewis trok in de jaren ’50, gewapend met bandrecorder, de sloppenwijken van Porto Rico in, met het doel de plaatselijke achterbuurtcultuur vast te leggen. Daar ontdekte hij – volgens eigen zeggen – een cultuur waarin het “leven bij de dag” tot centrale waarde was verheven. Die cultuur werd volgens Lewis als volgt gekenmerkt:
- Het wettelijk huwelijk komt weinig voor en vaak is de vrouw het hoofd van een éénoudergezin.
- Er wordt niet gespaard.
- Er is onder de armen weinig belangstelling voor de grote wereld om hen heen.
- Sterker nog: er is een gebrek aan integratie tussen de armen en de belangrijke instellingen van de samenleving: ziekenhuizen, scholen, kerken, politieke partijen en vakbonden worden gewantrouwd.
- Verder maken criminaliteit en prostitutie onderdeel uit van deze levenswijze.
- De karakterstructuur van mensen die in een armoedecultuur leven wordt volgens Lewis sterk bepaald door gevoelens van hulpeloosheid, afhankelijkheid, fatalisme en minderwaardigheid.
Dit zijn geen positieve eigenschappen – Lewis spreekt dan ook van een armoedige cultuur (“poverty of culture”). Lewis stelt dat deze afwijkende levenswijze wordt veroorzaakt door externe factoren (zoals bijvoorbeeld langdurig gebrek aan werk) en niet door de armen zelf. Maar de essentie en het venijn van zijn culture of poverty zit in het vervolg van de redenering. Armen die in zo’n cultuur opgroeien, zijn volgens Lewis amper in staat om de mogelijkheden van sociale mobiliteit te benutten. De armoedecultuur wordt dan een levenswijze die stabiel en hardnekkig is en die van de ene generatie op de andere wordt overgedragen.
Met een dergelijk negatief beeld van de armen knoopt Lewis aan bij de 19e eeuwse traditie. De mening dat er iets mis is met de levenswijze van het armere deel van de samenleving is namelijk al veel ouder. Zo bestond volgens veel welgestelde 19de-eeuwers een afwijkende levenswijze onder de arbeidende klasse en diende deze te worden gecorrigeerd door vooral armenzorg en onderwijs. Armen zouden geld over de balk gooien en zich ook verder ongedisciplineerd gedragen. In 1844 schreef W.C. Mees, destijds president van De Nederlandsche Bank: “De kwaal der armoede is niet als hopeloos te beschouwen. Zij heeft haar eersten grond in de armen zelve en daar moet dus ook hare genezing worden gezocht. Naarmate verstand en zedelijkheid bij de lagere volksklassen toenemen, zal de armoede afnemen.” In dit opzicht is de theorie van Lewis niet meer dan oude wijn in nieuwe zakken.
Kritiek op de ‘culture of poverty’
Klopt de theorie van Lewis? Volgens mij niet. Een eerste bezwaar betreft de inhoud van het begrip. Wat verstaat men onder die afwijkende levenswijze? Lewis geeft een hele serie kenmerken die bij een cultuur van de armoede zouden passen, maar plaatst ze niet in een betekenisvolle ordening. Daardoor is het onduidelijk wanneer men kan spreken van een cultuur van de armoede. Pas als er sprake is van drank- of drugsmisbruik, criminaliteit, ‘leven bij de dag’ én een onverschillige houding ten opzichte van het schoolgaan van de kinderen? Of hoeven niet al deze kenmerken voor te komen, maar slechts één, of twee of drie? En zijn er kenmerken (de houding ten opzichte van het onderwijs zou een goede kandidaat zijn) die persé aanwezig moeten zijn, wil er van een afwijkende levenswijze kunnen worden gesproken? Op al deze vragen is geen antwoord gekomen, met andere woorden: het begrip ‘cultuur van de armoede’ heeft nooit een duidelijke invulling gekregen en is daardoor moeilijk toepasbaar.
In de tweede plaats komt de theoretische beschrijving die Lewis geeft van de cultuur van de armoede niet overeen met de door hem opgetekende verhalen in zijn boeken. Zo toont één van die boeken, La Vida, mensen die juist wel proberen te sparen en wel belangstelling hebben voor de wereld om hen heen. Zo wordt door hen onder meer het beleid van president Kennedy besproken en vergeleken met dat van zijn voorgangers en zijn opvolger. Het boek toont mensen die van alles doen om te overleven, maar beslist niet fatalistisch of crimineel zijn. Kortom, er zit een enorme kloof tussen de theorie en het onderzoeksmateriaal.
Een derde bezwaar tegen het begrip ‘cultuur van de armoede’ heeft te maken met het gegeven dat een cultuur overdraagbaar is. Uit het blote bestaan van afwijkende gedragingen (zowel onder rijke als arme mensen) valt niet te concluderen tot het bestaan van een afwijkende cultuur. Er zal dan niet alleen een samenballing van kenmerken moeten zijn, maar deze gehele afwijkende levenswijze moet als cultuur ook nog eens van generatie op generatie overdraagbaar zijn en juist daardoor moeilijk te veranderen zijn. Zijn gebrekkig theoretische inslag bleek toen Lewis – als respons op kritiek van collega’s – opeens radicaal van mening veranderde door te stellen dat zo’n cultuur van de armoede bij verbeterde economische omstandigheden als sneeuw voor de zon zou verdwijnen.
En dan het laatste bezwaar. Het begrip culture of poverty, armoedecultuur, suggereert een duidelijk verband tussen armoede en een sterk afwijkende levenswijze. Lewis zelf gaf al toe dat die band niet zo duidelijk was: volgens hem leefde slechts 20% van de armen in een armoedecultuur. Waarbij het overigens een raadsel is waar hij die schatting van 20% vandaan haalde. De term ‘armoedecultuur’ is dus onjuist. Het is bovendien beledigend voor mensen die zich met hard sappelen een mager inkomen weten te verschaffen.
Slot
Het idee dat armen een afwijkende cultuur bezitten die voor hun armoede verantwoordelijk is, bezit nog steeds een grote aantrekkingskracht. In 1968 heeft de Amerikaanse antropoloog Valentine een heel boek aan Lewis’ theorie gewijd en de gebreken daarvan feilloos en uitvoerig aangetoond. En toch wordt zijn theorie nog geregeld van stal gehaald. En staat ook het internet vol met instemmende verwijzingen naar de culture of poverty.
Het lijkt alsof het begrip ‘cultuur van de armoede’ wetenschappers toelonkt en hen vervolgens verleidt tot een gedachteloze en onzorgvuldige toepassing. Het begrip ‘cultuur van de armoede’ klopt dus op minstens twee punten niet: het begrip ‘cultuur’ is er niet op van toepassing, evenmin als het woord ‘armoede’. Wat blijft er dan over? De term berust op drijfzand, is suggestief en beslist niet wetenschappelijk. Het elitaire idee van een “culture of poverty” moet nu toch eindelijk eens definitief worden verwijzen naar de plaats waar het thuishoort: de prullenmand.
Literatuur: C.A. Valentine, Culture and Poverty (New York 1968); Paul Th. Kok, Burgers in de bijstand (Franeker 2000) m.n. p. 35-41, daar ook verdere literatuurverwijzingen.
[eerder verscheen een verkorte versie van dit stuk op 12 april 2006 in dagblad Trouw]
