De moord op President Kennedy – deel 10: Waar ging het mis in de ondervragingen geleid door Joe Ball en David Belin?
Leestijd: 12 minuten
Leeswijzer:
- dit deel behandelt samen met deel 9 en 11 nogmaals het onderwerp van deel 8 (over de door de politie van Dallas vervalste foto’s van het schuttersnest), maar dan vanuit een andere invalshoek.
- deel 9 t/m 11 vormen samen één geheel, maar kunnen los van deel 8 worden gelezen.
- de afbeeldingen geven samen met de onderschriften de kern van het verhaal weer .
Dallas 22 november 1963 – De vervalste foto’s van het schuttersnest
Een half uur na de moord op president Kennedy werden op de 5e verdieping van het zgn. Schoolboekengebouw drie geweerhulzen gevonden. Ze lagen voor een raam dat uitkeek op Elm Street, waar Kennedy’s auto langs was gereden. Bij het raam stonden drie stapels boekendozen waarachter een schutter zich had kunnen verstoppen (zie Afb.1). Deze plek zou bekend worden als het schuttersnest. Volgens inspecteur Carl Day en detective Robert Studebaker hadden zij op 22 november om half twee een drietal foto’s van het schuttersnest genomen. In deel 8 van deze serie stelden we echter vast dat de foto’s in werkelijkheid pas om half vier werden genomen. Tussen twee en drie uur had Studebaker – op zoek naar vingerafdrukken op de dozen – het schuttersnest afgebroken. Na drie uur die middag maakten beide rechercheurs een reconstructie van het schuttersnest, legden de hulzen op de grond en namen alsnog de foto’s. We weten dus niet hoe het schuttersnest er ten tijde van de moord op Kennedy uit zag.

Een gedachtenexperiment: wat moeten ze hebben gemist?
Namens de Warren Commissie (die de moord op president Kennedy onderzocht) voerden de stafleden Joe Ball en David Belin het belangrijkste deel van het onderzoek uit: vaststellen wie Kennedy had vermoord. Daartoe besteedden zij ook (enige) aandacht aan het onderzoek door de recherche van het schuttersnest. In deel 8 toonden we aan dat Ball en Belin wel degelijk wisten dat Studebaker het schuttersnest had ontmanteld en dat de foto’s in scene waren gezet. Ball en Belin zouden dit met opzet hebben verzwegen. In deel 9 hebben we een gedachtenexperiment geïntroduceerd om langs een alternatieve route onze conclusie toch nog eens tegen het licht te houden. We gingen daarbij uit van de hypothese dat Ball en Belin te goeder trouw waren en geen weet hadden van de vernieling van het schuttersnest door Studebaker. En dat zij dus oprecht meenden dat de foto’s geen vervalsingen waren. In deel 9 bleek dat Ball en Belin in dat geval wel erg veel informatie hebben gemist.
Slechte ondervragingen
De informatie die door Ball en Belin over het hoofd was gezien, werd echter niet gecompenseerd door een scherpe en grondige ondervraging van de getuigen. Zij vroegen de agenten niet naar wat Studebaker eigenlijk de hele tijd in het schuttersnest aan het doen was. Ook al was de plaats delict vervuild, doordat één van de dozen op mysterieuze wijze was verdwenen, Ball en Belin deden geen serieuze poging om dat raadsel op te lossen. Zij besteedden evenmin aandacht aan de vele tekortkomingen van het door inspecteur Day uitgevoerde onderzoek. Zo was er geen chronologische lijst opgesteld van de genomen foto’s en was er geen plattegrond en evenmin een beschrijving van de plaats delict gemaakt. Tot slot had Belin niet in de gaten dat Day, nog geen twee uur nadat hij het schuttersnest had gefotografeerd, niet meer wist waar dat lag. We gaan deze punten hieronder wat uitvoeriger bij langs.

De verdwenen doos
1. Tom Dillard was als fotograaf verbonden aan de Dallas Morning News en zat in één van de persauto’s die deel uitmaakten van de stoet van Kennedy. Kort na het laatste schot maakte hij een foto van het Schoolboekengebouw, nadat een collega van hem had gezegd dat hij in een van de ramen iets dat op de loop van een geweer leek, had gezien. In het open raam van waaruit zou zijn geschoten, stond blijkens afbeelding 3 een doos. Maar op de officiële politiefoto, die nog geen uur later zou zijn genomen (Afb.4), is de doos niet meer aanwezig.


Belin vroeg aan Day of de ontbrekende doos was verplaatst voordat de officiële politiefoto (CE 715) werd genomen. Day zei dat hij zich niet kon herinneren dat daar een doos had gestaan. Daar nam Belin genoegen mee en maakte vervolgens de volgende opmerking:
“Voor het verslag moet ik over dit punt nog iets toevoegen. Er is een getuigenverklaring van een deputy-sheriff die de hulzen vond, dat nadat hij ze had gevonden, hij uit het raam hing om naar beneden te roepen om te proberen iemand te vertellen dat hij iets had gevonden en het is mogelijk dat hij een doos heeft verschoven, ook al heeft hij dat niet gezegd.”
Bron: Bijlagen Warren Rapport, deel 4, p. 252; verhoor op 22 april 1964.
Daarmee doelde hij op de verklaring van deputy sheriff Luke Mooney die een maand eerder door Joe Ball was verhoord:
“Dus leunde ik uit het raam, het zelfde raam van waaruit was geschoten, keek naar beneden en zag Sheriff Bill Decker en hoofdinspecteur Will Fritz beneden voor het gebouw staan. Nou, dus riep ik of wees – ik riep, ik riep min of meer. Ik floot een keer of twee voordat er iemand naar me keek. En toch keken ze allemaal die kant op – behalve de Sheriff, ze keken niet naar boven. En ik vertelde ze om de agenten van de Onderzoeksafdeling te sturen, dat ik de plek had ontdekt.”
Bron: Bijlagen Warren Rapport, deel 3, p. 284; verhoor op 25 maart 1964.
Behalve Mooney had ook agent Gerald Hill naar beneden geroepen met de zelfde boodschap over de gevonden hulzen. Daarbij werd hij door William Allen gefotografeerd – zie Afb.5. Hill koos voor het naastgelegen raam – om de plaats delict niet te verstoren – en hij kan dus niet de doos hebben verplaatst. Volgens Hill had niemand hem gehoord en daarom ging hij naar beneden om de mededeling alsnog over te brengen. Merkwaardig is overigens dat Mooney en Hill niet wisten dat ze allebei naar beneden hadden geroepen. Hun weergaven van de gebeurtenissen stemmen ook verder niet met elkaar overeen. Belin zocht dit echter niet uit, ook niet waar de doos dan neergezet zou zijn door Mooney.

Waarschijnlijk geeft een andere door William Allen gemaakte foto (Afb.6) het bewijs dat de doos nog aanwezig was nadat Mooney en Hill hun zegje hadden gedaan. William Allen had speciaal het raam gefotografeerd van waaruit zou zijn geschoten: afbeelding 6 is namelijk geen vergroting. Dat zal hij pas hebben gedaan, nadat bekend werd dat de schutter vanuit dit raam had geschoten. Beneden voor het gebouw wist men dat pas nadat zowel Hill als Mooney uit het raam hadden geroepen, of, als men hen beiden niet heeft horen roepen, pas nadat Hill enkele minuten later naar beneden was gegaan met de mededeling dat de hulzen waren gevonden.

In dat geval betekent het dat de doos er pas later is weggehaald, waarschijnlijk dus door Studebaker. Hij zal de andere onderzochte dozen bovenop en naast deze doos op de vensterbank hebben gezet (zie Afb.10). Vervolgens zal hij alle dozen (inclusief de ‘verdwenen’ doos) hebben gebruikt voor de reconstructie van het schuttersnest. Omdat Belin Day en Studebaker niet scherper ondervroeg en hij Allen’s foto (Afb.6) blijkbaar niet kende, kwam hij niet op het idee dat het verplaatsen van de doos naadloos aansloot bij de uiterst slordige manier waarop Day en Studebaker te werk waren gegaan.
Geen kritiek op het ‘onderzoek’ door de politie
2. Volgens de destijds geldende voorschriften, behoorden het maken van een plattegrond en een beschrijving van de plaats delict, tot de modus operandi van rechercheurs. Maar Studebaker maakte pas op maandag 25 november een plattegrond van de zuidoosthoek van de 5e verdieping – zie Afb. 7. Toen was de plaats delict echter al grondig vervuild, al was het alleen maar omdat journalisten, die in het weekend van 23 november vrije toegang hadden, stapels dozen hadden verplaatst. Zo toont Studebaker’s plattegrond – net als afbeelding 2 – slechts twee stapels dozen in het schuttersnest, in plaats van de drie stapels die er volgens afbeelding 1 op vrijdag hadden gestaan. Ball en Belin lieten na om Day en Studebaker te vragen waarom er niet meteen een plattegrond was gemaakt van de zuidoost hoek op de 5e verdieping. De beschrijving van de plaats delict zou er overigens nooit komen. Ook daar leverden Ball en Belin geen kritiek op.

3. Belin stelde evenmin kritische vragen aan Day over het ontbreken van een lijst waarop de tijdstippen van de genomen foto’s waren vermeld. Weliswaar vroeg Belin tijdens de ondervragingen bij een aantal foto’s wanneer deze waren gemaakt, maar soms wist Day dat niet eens meer. Overigens bewees dat het nut van het bijhouden van zo’n lijst. Bij sommige foto’s liet Belin achterwege om naar het tijdstip te vragen en kwam een aantal foto’s in het verhoor niet aan de orde. Dat is des te lastiger omdat veel foto’s pas op maandag 25 november werden genomen, toen de plaats delict al sterk was vervuild. Door deze werkwijze van Belin (en die van Day!) zitten we opgescheept met veel foto’s waarvan niet bekend is wanneer ze werden genomen.
4. Day en Studebaker hadden – volgens eigen zeggen om half twee – slechts drie foto’s gemaakt. De focus lag daarbij echter vooral op de hulzen. Belin vroeg niet waarom zij geen foto’s van het complete schuttersnest en de omgeving daarvan hadden genomen. Ook van de opstelling van de drie dozen die vlak voor het raam stonden, werden niet meteen foto’s gemaakt. Dat gebeurde pas nadat ze van hun plaats waren gehaald om ze te kunnen controleren op vingerafdrukken. Day gaf eerlijk toe dat ze daarna niet meer precies wisten hoe de drie dozen hadden gestaan en ze daarom vrij willekeurig hadden terug gezet. Belin informeerde niet naar de reden van deze slordige werkwijze.
Behoedzame ondervragingen
5. i
Ball en Belin hadden de foto’s van het schuttersnest voor zich op tafel liggen en hadden ze ook al gebruikt voor hun tussenrapportage van eind februari. Toch deden ze een voorzichtige poging om te checken of anderen het nemen van de foto’s hadden waargenomen. Ze waren op dit punt evenwel zeer behoedzaam in het ondervragen van de agenten. Zo stelde Belin aan agent Marvin Johnson de onduidelijke vraag of hij (Johnson) aanwezig was toen Day en Studebaker kwamen om foto’s te nemen. “Ja”, zei Johnson. De behoedzaamheid bleek toen Belin vervolgens niet vroeg of Johnson ook het daadwerkelijk nemen van de foto’s had waargenomen. Daar komt bij dat Johnson net daarvoor had gezegd dat volgens hem de hulzen niet zo hadden gelegen als op de door Day en Studebaker genomen foto’s. Dat was een extra reden om door te vragen over het nemen van de foto’s. Maar Belin liet ook dat na.
6. Toen bleek dat niemand van de agenten het daadwerkelijk maken van de foto’s had gezien, trokken Ball en Belin daaruit niet de conclusie dat er iets met de foto’s aan de hand kon zijn. Agenten Montgomery en Johnson waren op 22 november tot half drie steeds in de buurt van Studebaker en het schuttersnest gebleven. Het nemen van de foto’s hebben ze dus niet kunnen zien (want die werden immers pas later genomen), maar daarentegen wel dat Studebaker het schuttersnest afbrak op zoek naar vingerafdrukken. Ball en Belin vroegen hen evenwel niets over Studebaker’s bezigheden.
7. Ball en Belin toonden dus bitter weinig interesse in het onderzoek van het schuttersnest. Dat is des te merkwaardiger omdat zij in hun tussenrapport hadden vastgesteld dat onderzocht moest worden of de drie stapels dozen bij het schuttersnest door de werknemers of door iemand anders (Oswald?) daar waren neergezet. Zij merkten op dat misschien Day of Studebaker daar meer van wisten. Maar daar werd hen niets over gevraagd. Toch opperde Belin in zijn boek uit 1988 de mogelijkheid dat Oswald de drie stapels dozen daar had neergezet.
“Bonnie Ray Williams [een collega van Oswald] verklaarde dat toen de nieuwe vloer werd gelegd, hij en andere werknemers dozen hadden verplaatst van de westkant van de 5e verdieping naar de oostzijde. Oswald was in staat om snel een paar van deze dozen te verplaatsen om zo een afscheiding te maken rond het raam in de zuidoost hoek van de 5e verdieping zodat het tijdens de aanslag niet gezien kon worden vanaf andere delen van de 5e verdieping.”Bron: David Belin, Final Disclosure, p. 65-66.
Maar waarom had Belin dan in 1964 niet aan Day gevraagd of ook deze dozen op Oswald’s vingerafdrukken waren gecontroleerd? Dan was vermoedelijk duidelijk geworden dat het schuttersnest was afgebroken. Die duidelijkheid had Belin mogelijk eveneens kunnen krijgen door Williams de drie foto’s van het schuttersnest te tonen, om hem te vragen of dat klopte met wat hij had gezien. Maar ook dat liet Belin na.
Rappe rechercheurs?
8. Day en Studebaker moeten in korte tijd heel veel werk hebben verricht. Dat wordt duidelijk als we de tijdlijn wat beter bekijken. Om 12 minuten over één kwamen ze bij het Schoolboekengebouw aan. Elf minuten later waren ze al boven aangekomen, hadden ze de hulzen op vingerafdrukken gecontroleerd, in een envelop gestopt en op de envelop de tijd gezet waarop dat gebeurde.
Hadden zij dat wel zo snel kunnen doen? Na een gesprekje met inspecteur Sawyer (die voor het gebouw getuigen aan het horen was) moesten ze met twee koffers naar de liften achter in het gebouw lopen. Daar hadden ze oponthoud omdat ze merkten dat de liften niet werkten. Daarna moesten ze de trap nemen, helemaal naar de 5e verdieping. Mogelijk hadden ze onderweg nog even gesproken met één van de talrijke agenten die op zoektocht door het gebouw liepen. Volgens Day had hij namelijk van Sawyer vernomen dat de hulzen waren gevonden. Maar Sawyer sprak via de politieradio over de 2e verdieping als de plek waar de hulzen lagen. Iemand moet Day onderweg duidelijk hebben gemaakt dat dit onjuist was en hem alsnog hebben verwezen naar de 5e verdieping. Die gesprekjes hadden tijd gekost, net als overigens het traplopen.
Eindelijk op de 5e verdieping aangekomen, moeten ze met iemand hebben gesproken die hen kon vertellen waar ze precies naar toe moesten. Het gebouw was groot: 30 meter lang en 30 meter breed. Ze zetten hun koffers, met daarin o.a. fotoapparatuur, op dozen in de zuidoosthoek van de vijfde verdieping. Vervolgens zullen Day en Studebaker eerst nog even hebben gesproken met de agenten Montgomery en Johnson, die in opdracht van hoofdinspecteur Fritz bij het schuttersnest de wacht hielden. Toen pas kwamen ze toe aan het nemen van de drie foto’s. Daarna hebben ze de hulzen opgeraapt, deze met behulp van poeder op vingerafdrukken gecontroleerd en ze in een envelop gestopt. Op die envelop had Day de tijd gezet waarop hij ze had opgeborgen: 23 minuten over één.
Het luidop voorlezen van deze bezigheden kost al een paar minuten. Hoeveel meer tijd zal het daadwerkelijk uitvoeren daarvan wel niet hebben gekost? Ball en Belin vroegen Day en Studebaker evenwel niet hoe zij het voor elkaar hadden gekregen om dit allemaal in recordtijd te doen.
Waarom nam Carl Day foto’s vanuit het verkeerde raam?
9. Dan misschien wel de grootste misser van Belin. Nadat inspecteur Day was teruggekeerd in het Schoolboekengebouw, maakte hij kort na 3 uur binnen enkele minuten een drietal foto’s vanuit het raam op de 5e verdieping dat uitzag op Houston Street (zie Afb.8). Op de website The Portal to Texas History zijn ook de twee andere, deels identieke, foto’s te vinden die vanuit het zelfde raam werden genomen. Vergelijking van deze foto’s laat zien dat ze niet snel achter elkaar door Day waren genomen: de dame links op CE 722 (Afb.8), die achter de slordig geparkeerde auto langs loopt, is op de beide andere foto’s niet (meer) aanwezig. Het nemen van deze foto’s gebeurde dus niet in een opwelling.

Belin ondervroeg Day over CE 722, één van de drie foto’s die Day van Houston Street nam.
Belin: “Weet u wanneer deze werd genomen?”
Day: “Ergens rond 3 uur of kwart over drie, op 22 november.”
Belin: “Toen 722 werd gemaakt, u —“
Day: “Ik wist niet van welke plek er was geschoten.”
Belin: “Goed. [!!!] Ik geef u nu wat ik al heb genummerd als 724. Wat weet u daar van?”
Day: “Die was genomen, 724 werd gemaakt, ongeveer 15 tot 20 minuten na 722, toen ik informatie ontving dat het schieten in werkelijkheid plaats vond op Elm Street en niet Houston Street. De dozen waren toen al verplaatst.”
Bron: Bijlagen Warren Rapport, deel 4, p. 264 vlg.; verhoor op 22 april 1964. Uitroeptekens en cursivering toegevoegd.


De beide ramen van waaruit Day de foto’s had genomen, lagen vlak bij elkaar op de hoek van het gebouw, zoals afbeelding 10 duidelijk maakt. We moeten daarbij bedenken dat Day om twee uur met het geweer naar het politiebureau was gegaan om het daar veilig op te bergen. Toen hij om drie uur in het Schoolboekengebouw terug kwam, was het schuttersnest verdwenen: de dozen daarvan stonden (zie Afb.10) opgestapeld voor het raam. Was Day daardoor in de war geraakt? Zoals vaker tijdens de verhoren die Belin afnam, werd daar ook nu niet op doorgevraagd, terwijl er vragen te over waren. Van wie had hij de informatie gekregen dat hij bij het verkeerde raam aan het fotograferen was? En Day moet, als hij werkelijk rond half twee de foto’s van de hulzen had genomen, toch wel in de gaten hebben gehad dat dit het raam was waar de schutter had gezeten? Hij had toen zelfs – volgens eigen zeggen – de hulzen al opgeraapt en op vingerafdrukken gecontroleerd.
Hoe kan het dan dat Day (nog geen twee uur later) niet meer wist vanuit welk raam er was geschoten? En waarom viel dit Belin niet op? Was hij echt zo’n slechte onderzoeker, of hield hij Day de hand boven het hoofd? In deel 11 worden deze vragen beantwoord.
Bronnen
Literatuur: Warren Report (1964) p. 137 -142; Four Days: The Historical Record of the Death of President Kennedy (1964); David Belin, Final Disclosure: The Full Truth About the Assassination of President Kennedy (New York 1988); Howard P. Willens, History will prove us right: Inside the Warren Commission Report on the Assassination of John F. Kennedy (New York 2013).
Verhoren: Bonnie Ray Williams (3H 161-188 – 24 maart 1964); Luke Mooney (3H 281-291 – 25 maart); Tom Dillard (6H 162-167 – 1 april); Robert Studebaker (7H 137-149 – 6 april); Montgomery (7H 96-99 – 6 april); Marvin Johnson (7H 100-105 – 6 april); Gerald Hill (7H 43-66 – 8 april); J.W. Fritz (4H 202-249 – 22 april); J.C. Day (4H 249-278 – 22 april).
Foto’s schuttersnest in: Bijlagen Warren Rapport: deel 17, p. 199-226 en 499-510; deel 21, p. 643-649. De hier opgenomen foto’s zijn met dank ontleend aan de uitstekende beeldbank van de University of North Texas: The Portal to Texas History. De digitale weergaven zijn veel scherper dan de in de bijlagen van het Warren Rapport afgedrukte foto’s. Ook de foto’s die William Allen maakte, zijn afkomstig van deze site. Ze zijn niet opgenomen in de bijlagen van het Warren Rapport.
Herkomst afbeeldingen:
Afb. 1:
William Allen, November 22,
1963; (https://texashistory.unt.edu/ark:/67531/metapth184779/m1/1/: University of North Texas Libraries, The Portal to Texas History, https://texashistory.unt.edu; crediting The Sixth Floor Museum at Dealey Plaza.
Afb. 2:
Dallas (Tex.). Police Department. Boxes in the Texas School Book Depository, photograph, 1963~; (https://texashistory.unt.edu/ark:/67531/metapth49475/m1/1/: accessed December 18, 2024), University of North Texas Libraries, The Portal to Texas History, https://texashistory.unt.edu; crediting Dallas Municipal Archives.
Afb. 4:
Dallas (Tex.). Police Department. View from the Texas School Book Depository, photograph, 1963~; (https://texashistory.unt.edu/ark:/67531/metapth49532/m1/1/?q=%22Dallas%20Police%20Department%22: accessed October 1, 2024), University of North Texas Libraries, The Portal to Texas History, https://texashistory.unt.edu; crediting Dallas Municipal Archives.
Afb. 5:
Allen, William. [Dallas Police Sergeant Gerald Hill leaning out of a window of the Texas School Book Depository], photograph, November 22, 1963; (https://texashistory.unt.edu/ark:/67531/metapth184839/m1/1/: accessed October 1, 2024), University of North Texas Libraries, The Portal to Texas History, https://texashistory.unt.edu; crediting The Sixth Floor Museum at Dealey Plaza.
Afb. 6:
Allen, William. [Window of the alleged sniper’s perch at the Texas School Book Depository], photograph, November 22, 1963; (https://texashistory.unt.edu/ark:/67531/metapth184844/m1/1/?q=%22sixth%20floor%22: accessed August 27, 2024), University of North Texas Libraries, The Portal to Texas History, https://texashistory.unt.edu; crediting The Sixth Floor Museum at Dealey Plaza.
Afb. 7:
Dallas (Tex.). Police Department. [Map of Sixth Floor of Texas School Book Depository], photograph, 1963~; (https://texashistory.unt.edu/ark:/67531/metapth49453/m1/1/?q=6th%20floor%20police%20Dallas: accessed July 6, 2024), University of North Texas Libraries, The Portal to Texas History, https://texashistory.unt.edu; crediting Dallas Municipal Archives.
Afb. 8:
University of North Texas Libraries, The Portal to Texas History, https://texashistory.unt.edu; crediting Dallas Municipal Archives.
Afb. 9:
Dallas (Tex.) Police Department. November 22, 1963,
https://texashistory.unt.edu/ark:/67531/metapth337079/m1/5/?q=%22sixth%20floor%22: University of North Texas Libraries, The Portal to Texas History, https://texashistory.unt.edu; crediting Dallas Municipal Archives.
Afb. 10: Allen, William. [Exterior of the Texas School Book Depository], photograph, November 22, 1963; (https://texashistory.unt.edu/ark:/67531/metapth184816/m1/1/: University of North Texas Libraries, The Portal to Texas History, https://texashistory.unt.edu; crediting The Sixth Floor Museum at Dealey Plaza.
Plan voor de volgende delen
- deel 11: Waren Joe Ball en David Belin slechte onderzoekers of goede leugenaars?(geplande verschijningsdatum: maart 2025)
- deel 12: De vondst van het geweer op de 5e verdieping van het Schoolboekengebouw (april 2025)
- deel 13: Reconstructie door de Warren Commissie van de tijd die het Baker en Truly gekost zou hebben om de lunchroom op de eerste verdieping te bereiken. (april 2025)
- deel 14: Reconstructie van de tijd die het Baker en Truly in werkelijkheid gekost moet hebben om de lunchroom op de eerste verdieping te bereiken. (mei 2025)
- deel 15: Reconstructie door de Warren Commissie van de tijd die het Oswald gekost zou hebben om van de 5e verdieping in de lunchroom te komen.
- deel 16: Reconstructie van de tijd die het Oswald gekost moet hebben om van de 5e verdieping in de lunchroom te komen.
- deel 17: Vondst van de papieren zak (waarin het geweer door Oswald vervoerd zou zijn) op de 5e verdieping.
- deel 18: Het ontbrekende uur: Oswald op het politiebureau te Dallas tussen 2 tot 3 uur op vrijdagmiddag 22 november 1963.
- deel 19: Ondervragingen van Oswald op 22, 23 en 24 november 1963.
Opm: Het idee van een ‘gedachtenexperiment’ is ontleend aan het proefschrift van Marco van Leeuwen, Bijstand in Amsterdam ca. 1800-1850, Amsterdam 1992.
