Liefhebbende ouders? Deel 1: Cotton Mather
Leestijd: 9 minuten
Omstreeks 1575 merkte de filosoof Montaigne op dat hij “zo niet zonder leedwezen, maar toch zonder veel verdriet” twee of drie kinderen als baby had verloren. Veel lezers vielen over hem heen vanwege deze uitspraak: hoe kon iemand zo onverschillig tegenover de dood van zijn kinderen staan dat hij zelfs het aantal niet meer precies wist?
Historici als Ariès zagen dat juist als bewijs voor hun stelling dat het overlijden van zeer jonge kinderen in de 16e en 17e eeuw voor ouders niet zo’n punt was. Men was in het eigen gezin al gewend geraakt aan het jong overlijden van broertjes en zusjes. Van elke vier kinderen overleed er in die tijd één in het eerste levensjaar. Volgens Ariès hechtten ouders zich daardoor niet erg aan de nog jonge kinderen en dat zorgde er naast de gewenning voor dat het verdriet niet zo groot was.
De vraag die in deze serie blogs centraal staat is of men zich in de 17e eeuw aan hun nog zeer jonge kinderen hechtte en of men veel verdriet had bij het overlijden daarvan. Er is een aantal uitgebreide dagboeken uit de 17e eeuw bewaard gebleven. Daardoor kunnen we een poging wagen om die vragen te beantwoorden.
Cotton Mather (1662-1728)
De eerste dagboekschrijver die we onder de loep nemen is Cotton Mather, streng puriteins predikant te Boston, dat destijds ca. 10.000 inwoners telde. Een half jaar na het overlijden van zijn eerste vrouw, Abigail, in 1702, hertrouwde Cotton. Ook zijn tweede vrouw zou hij overleven: zij overleed in november 1713 samen met een pasgeboren tweeling en een tweejarig dochtertje aan de mazelen. Slechts twee van zijn 15 kinderen zouden hem overleven.

Toegeven, Cotton Mather was geen doorsnee persoon. In zijn dagboeken gaat het vooral over zichzelf en over hoe hij – volgens eigen zeggen – als werktuig van God – op aarde werkzaam was. Hij geloofde in het bestaan van heksen en zei in direct contact met God te staan. Cotton mag dan een bijgelovige, kortzichtige en ijdele mysticus zijn geweest (dat is tenminste de karakteristiek die de redacteur van zijn dagboek in 1911 van hem gaf), hij had wel hart voor de zaak. Zo ging hij tijdens een pokkenepidemie de huizen van de zieken bij langs, om hen steun te geven, ook al liep hij gevaar zelf besmet te worden. En tijdens strenge winters deelde hij uit eigen zak geld aan de armen uit en spoorde met succes anderen aan dat ook te doen.
Overdag besteedde hij veel tijd aan het maken van zijn preken (die hij vaak ook in druk uitgaf), ging gemeenteleden bij langs en bezocht de zieken. En hij bad heel veel, vaak uren achter elkaar, meest alleen maar ook geregeld met zijn hele gezin. Cotton schreef maar liefst 450 boeken en (vooral) pamfletten. Hij had vanwege al deze werkzaamheden dan ook een bordje, bestemd voor bezoekers, op de deur van zijn werkkamer: Be Brief (Houd het kort).

Lotgevallen van zijn kinderen: Joseph, Mary, Katy, Metahabel en Nibby.
Cotton had naast zijn werk ook hart voor zijn kinderen. Bij de geboorte van Joseph, die maar drie dagen oud werd, eind maart 1693, schreef Mather: “We probeerden van alles om het kind weer beter te maken, maar we konden het niet van de dood redden.” In oktober van dat zelfde jaar overleed zijn bijna 2-jarige dochter Mary. Cotton schreef dat hij in direct contact met God van Hem na urenlang bidden de verzekering had gekregen dat al zijn kinderen in de hemel zouden komen. Dat was voor hem een grote troost.
In januari 1694 had Cotton Mather nog maar één kind over, dat geboren was in september 1689. Deze Catharine (Katy), werd toen ernstig ziek en de hoop werd opgegeven dat ze bleef leven. “In mijn verdriet zag ik dat de Heer het kooltje dat nog gloeide in mij uitdoofde, en uit mijn binnenste wegrukte degene die zo lang bij mij geweest was dat ze daar een plek veroverd had.” Gelukkig werd Katy weer beter. Maar ook zij zou haar vader niet overleven: in 1718 overleed ze.
In februari 1696 stierf zijn ruim één jaar oud dochtertje Mehetabel: “Helaas, de nanny is op het kind gaan liggen.” Om heel jonge kinderen in de strenge winters in de slecht verwarmde huizen (bij gebrek aan kruiken) toch warm te houden, namen ouders of de kinderverzorgster het kind bij zich in bed. Het kwam geregeld voor dat de volwassene in de slaap het kind dooddrukte. Zo ook in dit geval. Mather hoopte dat God hem zou helpen “dat ik geduld zou hebben en mij welgemoed aan deze beproeving zou onderwerpen; ik voelde wel terdege de aanval van verleiding door de duivel die daarbij mee kwam.” Mather zag zijn verdriet over het overlijden van zijn kind als verzoeking van de duivel.
Geregeld bad Mather voor zijn kinderen, ook voor zijn overleden kinderen, zoals in februari 1696 na het overlijden van Mehetabel: ”Vier van de mijnen zijn derwaarts gevloden, mij vooruit.” Steeds als een kind van Mather ziek was, ging hij bidden en gaf hij zijn eigen tekortkomingen de schuld van de ziekte van zijn kinderen, alsof God hem daarvoor zou straffen door zijn kind weg te nemen.
Cotton stond dus niet onverschillig tegenover zijn kinderen, maar hield juist zijn hart vast als er weer iets ergs met hen gebeurde. Niet alleen werden baby’s ziek, ook ongelukken kwamen vaak voor. In februari 1697 viel zijn tweejarig dochtertje Abigail (koosnaampje: Nibby) in de open haard, maar hield daar geen verwondingen aan over. In oktober 1700 vatte het haar van Nibby vlam doordat ze te dicht langs een kaars liep. Van schrik kon ze geen woord uitbrengen, maar een voorbijganger zag de vuurgloed, kwam naar binnen en slaagde er in het vuur te doven. De aandacht en liefde die Cotton voor zijn kinderen had, blijkt uit het verslag (een halve pagina lang) dat hij over dit voorval gaf. Cotton zag het als een beschikking van God dat er een voorbijganger langs kwam. Cotton zou echter het overlijden van Nibby in 1721 nog moeten meemaken.

Cotton Mather bewoonde een groot huis waar hij een ruime studeerkamer had met daarin meer dan 3.000 boeken, destijds de grootste particuliere bibliotheek in Amerika. Het huis werd in het midden van de 19e eeuw afgebroken. Bron illustratie: en.wikipedia.org.
Lotgevallen van zijn kinderen: Nanny
Maar soms, als een kind was opgegeven door de arts, zoals bijvoorbeeld Nanny (koosnaampje voor Hannah, geboren in 1697) in december 1700, viel het gelukkig mee. Nanny huppelde een paar dagen later weer door de kamer. Dat kwam volgens Cotton omdat hij er veel voor gebeden had. Vandaar zijn uitroep: “Gode zij dank!” In maart 1701 werd Nanny weer ziek en men dacht ook deze keer dat ze zou overlijden. Cotton Mather bad en bad en schreef dat hij van God de verzekering had gekregen dat het kind zou blijven leven. Een maand later was het kind beter. Cotton: “Geloof is geen verzinsel!”
In februari 1705 had Nanny opnieuw hoge koorts; maar ook dit keer was ze volgens Cotton dankzij zijn gebeden beter geworden, maar in mei van dat jaar ging het weer mis, ze had weer hoge koorts en nu leek ze toch echt te gaan overlijden. Cotton zag al deze hevige koortsaanvallen als beproeving van God: “God maakt mij er door haar lijden bewust van mijn zonden tegen Hem te betreuren, en te bedenken welke bijzondere taken Hij mij oplegt.” Tot ieders verrassing zou het kind ook dit keer herstellen. Zij was de enige dochter die hem zou overleven.
Een liefhebbende vader
Ondanks zijn wel erg strikte geloof spatte Cotton’s angst over het lot van zijn kinderen zoals we zagen met grote regelmaat van de bladzijden af. De genegenheid die hij voor zijn kinderen had bleek ook uit de koosnaampjes die hij hen gaf: Abigail werd Nibby, Catharine Katy en Hannah werd Nanny.
De aandacht voor zijn kinderen bleek ook uit “Enkele aandachtspunten met betrekking tot de opvoeding van mijn kinderen.” Daarin schreef hij dat hij hen elke dag aan tafel een verhaal uit de bijbel vertelde en hen leerde dat ze elke dag moesten bidden. De kinderen kregen extra les van hem en van hun grootvader als het schoolonderwijs te kort schoot. En papa was natuurlijk de baas. Tot slot schreef Cotton dat hij zijn kinderen niet sloeg, alleen bij hoge uitzondering. Hij vond het beter ze een poosje buiten de deur te zetten “om een tijdje uit mijn aanwezigheid verjaagd te worden.” Eeuwen voordat het begrip werd uitgevonden, paste Cotton de ‘time-out’ al toe.
Tot slot bleek de aandacht en liefde die Cotton voor zijn kinderen had uit een voorval in januari 1707. Cotton’s zoontje Increase (koosnaampje: Creasy, geboren in 1699) ging elke week naar zijn opa en kreeg dan een poosje bijles. Maar dit keer moest hij eerst nog een boodschap doen voor zijn vader en kwam daardoor te laat bij opa. Opa was boos, wilde geen bijles geven en stuurde het zoontje terug naar huis. Daar kwam Creasy huilend vanwege die afwijzing bij zijn vader. Cotton stuurde een berichtje naar zijn vader dat het zijn schuld was en niet die van z’n zoontje dat Creasy te laat was en of zijn vader het alsnog goed wilde maken met Creasy. En dat deed opa.

Getroost door het geloof?
Cotton Mather raakte niet afgestompt door het overlijden van zoveel van zijn kinderen. Zoals we zagen was het elke keer weer ellende en verdriet. Hooguit kun je zeggen dat hij bij oudere kinderen nog verdrietiger was dan bij pasgeboren baby’s. Zoals we zagen bracht hij dat onder woorden toen de 4-jarige Katy ernstig ziek was: zij was al zo lang bij hem dat ze een vaste plek in zijn hart had bezet.
In één van zijn geschriften schreef Cotton over het idee van de erfzonde. Volgens zijn streng calvinistische en puriteinse opvattingen kwamen kinderen zondig ter wereld: “Ook al zijn ze jong, de duivel heeft hen al bezocht.” Deze opvatting had echter geen gevolgen voor de manier waarop hij met zijn kinderen omging. Maar als een kind stierf, bezorgde dit vermaledijde idee hem wel veel angst: zouden zijn kinderen wel in de hemel komen? De God zoals hij die zich als strenge puritein voorstelde, was niet zo’n liefhebbende vader als Cotton zelf was geweest. Die angst vormt overigens het zoveelste bewijs van de liefde die Cotton voor zijn kinderen voelde.
Literatuur: Diary of Cotton Mather 1681-1708. (Boston 1911); Elizabeth Bancroft Schlesinger, “Cotton Mather and His Children”, The William en Mary Quaterly, April 1953 (Vol. 10), p. 181-189 (te vinden op: www.jstor.org); E. Jennifer Monaghan, “Family Literacy in Early 18th-Century Boston: Cotton Mather and His Children”, Reading Research Quaterly Autumn 1991 (Vol. 26), p. 342-370 (te vinden op: www.jstor.org). Zie over de aangehaalde uitspraak van Montaigne: Sarah Bakewell, Hoe te leven of een leven van Montaigne in één vraag en twintig pogingen tot een antwoord (Amsterdam 2011), p. 203-205.
