Het jongetje dat bij lijken lag

Het jongetje dat bij lijken lag

14 juni 2020 Uit Door Paul Th. Kok

Leestijd: 6 minuten


Het lijkt vanzelfsprekend dat in een tijd waarin de dood veel voorkwam, ook kinderen veel meer dan tegenwoordig aan het zien van een lijk gewend waren. De bezigheden van Gerrit Mulder in het begin van de 19e eeuw passen naadloos in deze visie. Mulder (1802-1880) zou later geneeskunde studeren en werd tenslotte hoogleraar scheikunde aan de Universiteit van Utrecht.


Aderlaten

De vader van Gerrit Mulder was chirurgijn, die zich bezig hield met aderlaten en het zetten van beenbreuken en het doen van amputaties. Dat beïnvloedde de jeugd van Gerrit nogal. “Onder mijn eerste speelgoed waren mensenbeenderen.” Dat gold trouwens voor veel meer kinderen, maar Gerrit was een bijzonder kind. Op 7-jarige leeftijd bestudeerde hij al leerboeken over de opbouw van het menselijk skelet en over de ontleedkunde.

Daarna stortte hij zich op het aderlaten. Dat was al eeuwen een manier om ziekten te lijf te gaan. Aderlaten kon geschieden met speciale bloedzuigers, waartoe elke drogist een pot vol op de toonbank had staan. Maar je kon ook een bloedvat openen om bloed af te tappen. Als 8-jarige verrichtte Gerrit staande op een stoof en onder toezicht van vader zijn eerste aderlating bij een vrouw uit de buurt, die daar overigens een vergoeding voor kreeg. Na vervolgens lijkjes van vogels, konijnen en honden te hebben ontleed, wilde Gerrit lijken van mensen onderzoeken. Maar zijn vader vertikte het om hem van lijken te voorzien.


Stelen en ontleden van lijken

Vandaar dat hij als tienjarige besloot om lijken te gaan stelen. Nu lag er vlak buiten de stadspoorten van Utrecht (op de plek waar nu Hoog Catharijne staat) een begraafplaats speciaal bestemd voor armen: het ‘Ellendigen kerkhof’.


Het “Elendige Kerckhof” aan de Singel tegenover het kasteel Vredenburg was strikt genomen geen kerkhof, maar een buitenbegraafplaats, oorspronkelijk bedoeld voor ter dood gebrachte misdadigers (de ‘ellendigen’). Detail van de plattegrond van Utrecht door Braun uit 1572.
Bron: A.J. van der Weyde, “Over begraafplaatsen en begraven in het bijzonder te Utrecht”, Jaarboekje van Oud-Utrecht 1930, t.o. p. 96.

Elke middag ging hij er naar toe om te speuren naar verse lijken, tot hij zag dat er net een lijk was begraven. Gerrit huurde de man van hun werkster in (daarvoor had hij geld gespaard) om het lijk met de handen uit te graven en in een kruiwagen, bedekt met een jutezak, mee naar huis te nemen. Blijkbaar stootte de kruiwagen in het ouderlijk huis tegen deurposten aan, want zijn vader kwam op het lawaai af.

Gerrit legde toen alles aan zijn vader uit. “Ik ontving geen enkele berisping, maar de verzekering, dat hij er in het vervolg voor zorgen zou. Dat eerste lijk, ik was er door geene kracht van af te brengen, niettegenstaande het in het volste bederf was overgegaan, maar ontleedde het in elke richting. (…) Mijn vader hield woord en bezorgde mij lijken, bij wie ik in dezelfde kamer sliep, en die ik den ganschen dag ontleedde; ik sliep er bij, omdat zij mij zoo veel waard waren en ik ze in een ander vertrek niet vertrouwde. Hoe meer lijken ik te ontleden kreeg, des te meer bewogenheid had ik bij het aanschouwen daarvan.”

     Terugkijkende zei Mulder dat hij zich er voor schaamde zoiets te hebben gedaan, omdat de familieleden van de overledene, als ze van de roof hadden geweten, diep bedroefd geweest zouden zijn, “indien zij zouden hechten aan het ‘verlaten huis’ van hun dierbare.” Wat hem zelf betrof zou dat hem niets uitmaken: men mocht zijn lijk gebruiken waarvoor men wilde: “ik hecht er niets aan.”

Vooral in Engeland kwam lijkenroof in deze tijd op vrij grote schaal voor. De vraag van de medische wetenschap was zo groot dat sommigen zelfs tot moord overgingen om lijken te kunnen leveren. Ook in Nederland kwam lijkenroof voor en niet alleen door Gerrit en zijn vader. We komen het ook tegen in een boek uit 1786 van C. Terne. Hij ageerde daarin tegen de volgens hem onhygiënische wijze van begraven in kerken en op kerkhoven. Lijkenroof werd destijds als nadeel genoemd van de aanleg van begraafplaatsen buiten de stad. Lijken konden dan immers makkelijker weggenomen worden. Maar daar tilde Terne niet zo zwaar aan. Lijkenroof kwam volgens hem voor (20 jaar later ook nog zoals wij zagen), maar dat was in het belang van de ontleedkunde. En omdat hij daar zelf, net als Gerrit Mulder, een liefhebber van was, deed hij daar niet moeilijk over.


Zoudt gij voor lijken beven?

Heel anders dan Gerrit reageerde Willem op de nabijheid van een lijk. Zijn grootmoeder – zo begon een kinderboek uit 1833 – was overleden en thuis opgebaard. Willems moeder moest even weg, zodat hij alleen met het lijk van zijn oma was. Hij vond dat maar niets en was bang voor het bleke lichaam in de kist. De  jongen – zo verhaalt de vertelster – kende het versje van Van Alphen niet:

Mijn liever kinders, schrikt toch niet,

Wanneer gij doode menschen ziet;

Zoudt gij voor lijken beven?

En toen hoorde hij ook nog een gestaag getik en gekraak van de een deur, wat hem nog banger maakte. Hij vluchtte het huis uit, recht in de armen van zijn moeder. Die nam hem mee terug naar de kamer waar oma’s lijk lag opgebaard om hem uitleg te geven over het tikken. “Kijk hier jongen!” zei zijn moeder, “Er lekken druppels uit de kist, die op de stenen vloer vallen, hoor maar, tik, tik, dat water komt uit grootmoeders lichaam. En dat is geen wonder want het lieve mens was zeer dik toen zij stierf. Dat is alles waar je zo bang voor was.”

          Blijkens het vers van Van Alphen was Willem dus niet de enige die bang voor lijken was. Hij zal daarom, ook al was hij een fictief personage, typerender voor de houding van de meeste kinderen zijn geweest dan Gerrit. Zo vertrouwd met lijken waren kinderen ook toen dus echt niet.


Aanslag op Napoleon

Gerrit Mulder was duidelijk een uitzonderlijk kind en dat niet alleen omdat hij al op zeer jonge leeftijd het ontleedmes ter hand nam, maar ook omdat hij een pistool ter hand wilde nemen om een zelf een nieuw lijk te maken. Zijn doelwit was niemand minder dan Napoleon. Die zou in de herfst van 1811 op rondtocht in Nederland ook Utrecht aandoen. Blijkbaar was de route van tevoren bekend gemaakt, want Mulder wist dat Napoleon langs zijn ouderlijk huis zou rijden.


Naamdicht over Napoleon

Veel nare verhalen hoorde hij als kind over Napoleon, over de vele dienstplichtigen in de legers van Napoleon die nooit meer terug kwamen. Napoleon kreeg, getuige het naamdicht, steevast de schuld van alle ellende in Nederland. Daarom vatte Gerard het plan op om hem te vermoorden. Maar het bleef bij een plan omdat hij niet voldoende geld had om een pistool te kopen. “Met de diepste ontroering zag ik Napoleon tweemaal, tijdens zijn verblijf in Utrecht; maar met een ontroering die alleen voortkwam uit het gemis van een pistool.”


Literatuur: T. van Spall, Geschenk voor kinderen (Den Haag 1837 2e dr.); Levensschets van G.J Mulder (Utrecht 1883 2e dr.); C. Terne, Schadelykheid der begrafenissen binnen de steden (1786); Ruth Richardson, Death, Dissection and the Destitute (London 2001, orig. 1988).